Samenvatting preadvies 2010 prof. mr. F.G.H. Kristen: Maatschappelijk verantwoord ondernemern en strafrecht

F.G.H. Kristen (hoogleraar straf(proces)recht, Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, Universiteit Utrecht)

Maatschappelijk verantwoord ondernemen en strafrecht

Bij het thema maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) pleegt niet onmiddellijk aan het strafrecht te worden gedacht. Voortbouwend op de definitie van MVO die in het Algemeen Deel is ontwikkeld, volgt uit een verkenning van de strafrechtelijke kanten van MVO dat er wel degelijk een verband bestaat tussen MVO en strafrecht. Daarna schetst het preadvies mogelijkheden die het huidig Nederlands strafrecht biedt om schendingen van MVO-normen strafrechtelijk te redresseren. Vervolgens onderzoekt de preadviseur vooral voor de Nederlandse moedermaatschappij van een Nederlands concern of een multinationale onderneming of en hoe zij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor schendingen van MVO-normen die onder de reikwijdte van Nederlandse strafbaarstellingen vallen.

Allereerst komen meer specifiek de commune delicten van witwassen en deelneming aan een criminele organisatie aan bod. De uitleg en de toepassing die hieraan in de rechtspraak is gegeven, en met name door de extraterritoriale werking daarvan, heeft de weg geplaveid voor vervolging van een Nederlandse moedermaatschappij voor (de resultaten van) schendingen van MVO-normen die een misdrijf opleveren. Ingeval van witwassen betreft het met name het verwerven en/of voorhanden hebben van de opbrengsten rechtstreeks of indirect verkregen uit misdrijven die door of binnen haar (buitenlandse) dochteronderneming zijn begaan. Wanneer een Nederlandse moedermaatschappij met haar (buitenlandse) dochteronderneming samenwerkt met het oog op het plegen van misdrijven in Nederland of daarbuiten die een schending van een MVO-norm behelzen, kan sprake zijn van deelneming aan een criminele organisatie.

Ten tweede toont het preadvies aan dat de wijze waarop het daderschap van rechtspersonen in wet en rechtspraak vorm heeft gekregen, toestaat Nederlandse moedermaatschappijen strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor schendingen van MVO-normen die een strafbaar feit opleveren (hierna: de verboden gedraging). Daarbij kunnen zij op twee manieren strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor verboden gedragingen door of binnen hun dochterondernemingen. In de eerste plaats kan die gedraging via de dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend. In de tweede plaats kan de verboden gedraging van de fysieke pleger(s) buiten de dochteronderneming om aan de moedermaatschappij worden toegerekend. Dit geldt niet alleen voor een Nederlandse dochteronderneming. Het is zelfs mogelijk en verdedigbaar om beide mogelijkheden toe te passen bij een buitenlandse dochteronderneming. Wel dient volgens de preadviseur voor beide situaties een ondergrens te worden gesteld: een dergelijke toerekening is slechts redelijk wanneer sprake is van misbruik van rechtspersoonlijkheid en de Nederlandse moedermaatschappij derhalve kan worden vereenzelvigd met haar binnenlandse of buitenlandse dochteronderneming. Aldus biedt het huidig Nederlands strafrecht reeds een geclausuleerde variant van een “foreign liability case”.

Het preadvies rondt af met enige observaties over de opportuniteit van het gebruik maken van de genoemde mogelijkheden en de vraag of wettelijk ingrijpen gepast is. Daartoe worden argumenten voor en tegen vervolging van Nederlandse moedermaatschappijen ge�nventariseerd. Ten slotte geeft de preadviseur aan dat momenteel ingrijpen door de wetgever niet noodzakelijk is, nu het bestaande strafrecht toereikende mogelijkheden biedt voor een strafrechtelijk aanpak van schending van MVO-normen.