Rede voorzitter prof. mr. F.A.W. Bannier

De maatschappelijk verantwoorde opleiding

In 2007 hield de de toenmalige voorzitter van de NJV, Mr Eradus, haar jaarrede. Zij stelde de vraag aan de orde of er niet een togamaster moest komen om juridische studenten beter voor te bereiden op het uitoefenen van een togaberoep, het beroep van advocaat, rechter of lid van het Openbaar Ministerie. Zij beantwoordde die vraag terecht bevestigend. Wat in die rede niet uitgebreid aan de orde kwam was de vraag welke vakken zo’n togamaster de student zou moeten aanbieden. De vraag is hier en daar trouwens ook al praktisch beantwoord: er zijn faculteiten die een togamaster in het leven geroepen hebben. Niet de Universiteit van Amsterdam overigens. Die biedt een togaminor aan, dus op het niveau van de bachelorstudent.

Ik bespreek niet weer de noodzaak van een togamaster. Ik zie zonder meer zin in een positieve beantwoording. Maar ik wil de hieraan gerelateerde vraag aan de orde stellen: Welke vakken zijn voor de beoefenaar van een togaberoep van zulk groot belang dat zij in de universitaire opleiding niet mogen ontbreken. Daarmee stel ik natuurlijk meteen ook de vraag of de huidige opleiding van de juridische student voldoende voorbereiding op het togaberoep geeft.

U weet dat men, om tot een van de togaberoepen te worden toegelaten, een opleiding met het zogenaamde civiel effect dient te hebben gevolgd. Wat dat inhoudt staat onder meer vermeld in het KB van 27 januari 2005 houdende nadere regels over de beroepsvereisten voor het beroep advocaat. Die vereisten zijn het afsluitend examen als bedoeld in artikel 2 Advocatenwet dat tenminste de volgende vakken moet omvatten
a. het privaatrecht met inbegrip van het burgerlijk procesrecht
b. het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht en
c. een van de volgende vakken:
1. staatsrecht
2. bestuursrecht met inbegrip van het administratief procesrecht of
3. belastingrecht.

Voor de rechterlijke macht, staand of zittend, geldt hetzelfde pakket. Dat is vastgelegd in het Besluit rechtspositie. Voor het notariaat gelden trouwens ook vergelijkbare eisen maar die laat ik buiten beschouwing: dat is geen togaberoep.

Een eerste vraag die rijst is of men in deze tijd van specialiseren nog altijd dit gehele pakket nodig heeft. Hoeveel advocaten van de kleine 16.000 die wij er in Nederland nu hebben, beoefenen het strafrecht, bijvoorbeeld? Vraag is relevant, want door iets minder te onderwijzen kan ruimte voor iets anders ontstaan.
Een tweede vraag is, of er niet vakken bestaan die in dit pakket ontbreken en erbij moeten?

Als beide vragen, vooral de laatste, bevestigend worden beantwoord, rijzen er natuurlijk meer vragen. Ik denk aan “valt dat dan nog wel in de vierjarige opleiding te realiseren”, om dan nog maar te zwijgen van “en wie gaat dat betalen” ?
Ik ga aan deze twee vragen niet veel aandacht aan geven bij gebrek aan tijd.

Om een antwoord op mijn vragen te kunnen geven lijkt het mij onmisbaar om eerst na te gaan waar een togaberoeper (grappig genoeg krijgt dit woord geen rood slingertje op mijn computer) in de praktijk behoefte aan heeft. En dan denk ik vooral aan de advocaat omdat ik dat beroep nu eenmaal het beste ken.

Aan de advocaat werden al vroeg eisen van kennis en vakbekwaamheid gesteld. Bij rechters was dat oorspronkelijk vaak minder het geval. Er werd voor en in de Middeleeuwen nogal wat recht gesproken door rechters zonder juridische vorming. Denk aan bestuurders zoals graven. Van scheiding van de drie Montesqieu-machten had men toen natuurlijk nog niet gehoord. Dat gebrek aan juridische kennis bij de rechter maakte overigens wel dat die kennis bij de advocaat extra belangrijk werd zoals De Drodeka beschrijft.

Wij zien dan ook dat in een van de oudste geschriften uit Nederland waar juridische informatie in staat over het kennisvereiste van advocaten gesproken wordt. Ik doel op het “Rechtsboek van Den Briel” uit niet veel later dan 1400. De secretaris van de stad, Jan Matthijsen, beschrijft het plaatselijke recht (recht was toen nog erg plaatselijk). Hij beschrijft ook de taelman, de toenmalige aanduiding van een advocaat (denk aan dingtalen). Matthijsen zegt “Unden eersten is hy sculdic te weten der steden beschreven rechten, want anders en conde hy der luden noch haer zaken nyet verantwoirden.”
Daar is geen speld tussen te krijgen.
Wat later, 1428, zien wij het Hof van Holland en Zeeland verschijnen met zijn eigen Instructies, beetje RO veel Rv maar ook beroepsregels voor de advocatuur. Om als advocaat toegelaten te worden moest men aan een befaamde universiteit rechten gestudeerd hebben. Terzijde, dat betekende een reis naar het buitenland omdat tot 1575 er in Nederland geen universiteiten waren. Duur!
Het Hof van Utrecht schreef voor dat alleen als advocaat toegelaten konden worden wereldlijke luyden (NB geen priesters!) daertoe nut ende bequaam ende welcke onze Stadhouder ende Raiden naer deugdelijke examinatie sufficient bevonden hebben. Dus een vroege vorm van Bar Examination.
Ik kan U verder verwijzen naar het boek van Hermesdorf, “Licht en schaduw in de advocatuur der Lage Landen”, waar hij een heel hoofdstuk wijdt aan de voor advocaten vereiste opleiding. Hij gaat nog verder terug met name ook buiten Nederland.
Ook schrijvers denken er zo over: Joos den Damhouder bijvoorbeeld, de grote geleerde uit Brugge.
En zo kan ik door gaan. Ik doe dat niet. Mijn punt zal duidelijk zijn: met onze eisen van een examen in het recht met civiel effect doen wij niets nieuws; wij bouwen voort op een oude en eerbiedwaardige geschiedenis.

We zien dus dat de advocaat altijd een zekere mate van kennis moest hebben om zijn beroep behoorlijk te kunnen uitoefenen. Maar wat vraagt dat beroep aan kennis? Wat doet een advocaat of -want hier lopen de sporen weer in zekere mate gelijk- een rechter?
Zij beiden hebben de taak om ervoor te zorgen dat de rechtspositie, die in de rechtsstaat aan de burger toekomt, beschermd wordt. De advocaat is daarbij de adviseur van de burger; hij leidt hem door het complexe en steeds meer uitdijende geheel van wetten en regels en weet, hoe hij eventueel de rechter moet inschakelen. Hij is de gids in de jungle van het recht.
De rechter is degene die ervoor zorgt dat inbreuken op die rechtspositie hersteld of voorkomen worden.
In zoverre is het vanzelfsprekend dat zij beiden over een gedegen kennis van dat recht moeten beschikken.
En zij beiden vervullen een wezenlijke taak in het kader van de rechtsstaat.

Maar er gebeurt meer.
In mijn studententijd zei een medewerkster aan het Molengraaff-instituut het zo (ik ben helaas haar naam vergeten): “Wat het recht zo mooi maakt is dat je altijd met mensen te maken hebt.”
En dat ben ik met haar eens. Het spreekt voor zich in onderdelen, specialismen zo U wilt, als het familierecht, het arbeidsrecht (vooral aan de kant van de werknemer), huurrecht (vooral woonrecht en dan weer aan de kant van de huurder) of consumentenrecht. Het recht heeft te maken met zaken die een mens rechtsstreeks aangaan. Waar zijn belangen op het spel staan. Belangen, die over welvaart of zelfs de eerste levensbehoeften gaan of over persoonlijk geluk.
En voor de rechter geldt dat precies zo. Zijn beslissing grijpt hier in, soms zeer diep.
Maar het gaat verder. Ook op andere rechtsgebieden komt men die menselijke betrokkenheid tegen al is het soms iets minder ingrijpend. Maar, zult U misschien zeggen, in de commerciele praktijk, waar grote financieringen of overnames onderwerp van advies en soms geschil zijn, daar gaat het om rechtspersonen. Die kennen geen geluk of woongenot.
Toch is dit niet waar. Achter al die rechtspersonen zitten uiteindelijk mensen en, belangrijker, mensen vertegenwoordigen de rechtspersoon. Je praat niet met een orgaan of een BV, je praat met een man of vrouw die directeur is of bedrijfsjurist.
Soms is die de eigenaar van de rechtspersoon en gaat het indirect om zijn eigen vermogen, soms is hij slechts werknemer. Maar dan gaat het om zijn inkomen waarvan dan weer het dagelijks bestaan van hem en zijn gezin afhangt.
Het gaat in het recht vooral om mensen. Maar het gaat ook over recht. Over een stelsel van regels dat de samenleving van die mensen normeert, structureert, organiseert.
Een stelsel dat zo gecompliceerd is, dat de gewone burger, voor wie dat stelsel bedacht en opgeschreven is, er het overgrote deel niet van kent en in elk geval niet begrijpt.
Dat was zo toen er nog maar relatief weinig regels waren omdat velen helemaal niet konden lezen. Dat was zo toen de regels in aantal en ingewikkeldheid toenamen en dat is nu nog steeds zo want de regels nemen in aantal nog steeds toe. Ondanks door politici uitgesproken wensen om de regelgeving te verminderen.

Je hebt met mensen te maken. Maar dan is een zekere mate van mensenkennis wel erg zinvol. Ik beweer al vele jaren dat een goede advocaat een ervaren advocaat is. Jonge advocaten kunnen technisch prima zijn. Maar dat element van mensenkennis, dikwwijls een vorm van ervaring, komt bij veruit de meesten met de jaren (als het al komt). Bij een rechter is dat niet anders. Vroeger, in onze jonge jaren dus zo�n 45 jaar geleden, zo meen ik mij te herinneren, kon je meemaken dat een rechter niet zo’n briljante jurist was. Maar zij hadden wel vaak meer kennis van, begrip van, de maatschappij. Dat heeft ook met mensenkennis te maken, kennis van het leven, zoals Kronman het ook bedoelde. Daar ga ik dadelijk nog op in. Hoe reageren mensen op elkaar? Hoe werken zij samen, hoe leven zij samen, wat gebeurt er als de ene mens op een bepaalde manier handelt?
Kortom, hoe zijn de regels van het spel dat in duizend verchillende vormen het feitencomplex levert van de zaak waar de advocaat over adviseert, waar de rechter over oordeelt.
Als de advocaat zijn client adviseert een bepaalde gedragslijn te volgen, bijvoorbeeld “wacht nog maar even met betalen”, wat kan dan als reactie verwacht worden? Dat moet je weten om effectief te kunnen adviseren. Het is natuurlijk van enorm belang om te weten of zo’n handelwijze juridisch haalbaar is. Maar het gaat niet alleen om het juridische. Ook als je juridisch gelijk hebt, moet de gewone maatschappelijke samenhang van actie en reactie mee-beschouwd worden. Doe je dat niet, dan riskeer je dat een geschilletje tot een enorme ruzie opgeblazen wordt. En dan kan je nog zoveel gelijk hebben volgens het BW en de jurisprudentie, je schiet er in de context waarin het geschil zich afspeelt – een handelsrelatie bijvoorbeeld- niets mee op. Integendeel. Je belandt in een situatie waarvan je, met een variant op een regel van Beaudelaire (“Petits poemes en prose”, Le Miroir) kunt zeggen “Au point de vu de la loi, j’avais sans doute raison, mais, au point de vue du bon sens, il n’avait pas tort.”

Mensenkennis, maatschappelijk bewustzijn, kennis van de realiteit van de samenleving en van de relativiteit van het recht….. Noemt het zoals je wilt, maar ik denk dat de advocaat dat, liefst in ruime mate, moet hebben. En de rechter ook. Jawel maar die past het recht toe en dat is vaak een kwestie van ja of nee. Daar kan je met maatschappelijk bewustzijn niets aan veranderen.
Of toch wel?
Als plaatsvervanger in het Amsterdamse gerechtshof nam ik eens deel aan de raadkamer in een bepaalde zaak (Ja, ik ga het geheim van de raadkamer verraden!). Het ging om een claim van een automobilist tegen een verzekeraar na een stevig ongeluk. De polis leek duidelijk. De wet ook. Wij wilden de vordering afwijzen.
Toen zei een van de raadsheren (een vrouw overigens maar daarvan kan je dit misschien wel iets eerder verwachten) “Als wij dit zo beslissen, doen wij dan ook recht?” En we gingen opnieuw beraadslagen. En kijk, vanuit het perspectief van het Recht (met kapitale R) kwamen we tot een heel andere beslissing. We wezen de vordering toe.
Het recht bood niet alleen “ja” of “nee”. Het recht gaf stof tot nadenken, tot afwegen.

Had dit te maken met kennnis van de samenleving? Wel een beetje. Meespeelde de ongelijke verhouding tussen de arme automobilist en de verzekeraar die eenzijdig de nogal klemmende polisbepalingen geschreven had. Wij boden hem een stukje bescherming. Natuurlijk hadden we ook goede wettelijke gronden maar om daarop te komen moest er eerst een stuk menselijkheid in de beraadslagingen meewegen.
Dit voorbeeld brengt mij ophet volgende. Wie met het recht werkt moet niet alleen mensenkennis hebben, hij moet ook met rechtvaardigheid kunnen werken. Met andere woorden, met de vraag wat goed en wat slecht is. Dat is een vraag waaraan noch rechter noch advocaat ontkomt in veel van zijn beroepsbezigheden. Hij is het zich lang niet altijd bewust, maar dat maakt wat ik zeg niet minder waar.
Bij de geschiloplossing via de rechter komt het gelijk dikwijls bij een van de twee partijen terecht. Is dat dan de goede partij en de verliezer de slechte? Nee, u weet wel beter. Terzijde, daarom is mediation zo’n zinvol alternatief: daar hoeft “gelijk” of “ongelijk” geen rol te spelen.

Deze vraag heeft al eeuwen lang de pennen tot activiteit aangezet. Als je de eed van de advocaat beschouwt, waar hij zweert “dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn” – en, ja, dat stuk van de eed werd al zo gezworen in de 15e eeuw!- heeft dan de advocaat van de verliezende partij zijn eed geschonden? Hij heeft kennelijk een niet-rechtvaardige zaak verdedigd.
U kent het antwoord. Het werd mooi verwoord door de grote Joannes van der Linden in zijn Redevoering (p. 18 e.v.).
Ik citeer een klein stukje.
“Maar wat zie ik? Ik ontmoet hier twee Advocaten, beiden in braafheid en geleerdheid uitmuntende, den den voor den eischer, den ander voor den gedaagde; waar de eerste beweert en staande houdt, dat de gedaagde aan den eischer duizend guldens schuldig is, terwijl de tweede even standvastig ontkent. Dat hij zelfs geen enkelen cent verpligt is om te betalen.(…) De waarheid is slechts één, en de weegschaal der geregtigheid gedoogt geene ongelijkheid.” En iets verder: “De meeste (zaken) zijn van eene gemengde zoort, waar in wij nasporen, welke bepaling van het regt op de bewezen daadzaken toepasselijk is. Alle deeze zaken, als twijfelachtig zijnde, wordt een Advocaat niet verboden aantenemen en te verdedigen, ofschoon hij misschien als Regter aan het gevoelen van zijne tegenpartije, boven dat van zijn cli�nt de voorkeur zou geven.”
NB V.d. Linden was 50 jaar advocaat toen hij dit zei.

Voor de advocaat betekent dit, dat hij een zaak waar hij wel enig brood in ziet – maar niet erg veel – toch kan aannemen. Hij vindt het rechtvaardig om voor de kansen van zijn client te gaan. En als je helemaal geen kansen ziet? Is het, in de zin van de eed, rechtvaardig om dat dan ook te doen? Uitzonderingen zijn denkbaar.
Ik zou dit graag voor discussie in Uw midden leggen, maar dat is niet de bedoeling van mijn rede noch van deze vergadering.
Het gaat mij erom te laten zien dat de advocaat voor veel en zeer uiteenlopende morele dilemma’s gesteld kan worden. Hij krijgt te maken met de vraag naar goed of kwaad.
En de rechter krijgt dat ook, zij het op een andere manier. Zijn uitspraak moet ook als recht ervaren worden en dikwijls moet hij beginselen van redelijkheid en billijkheid meewegen. Beginselen, die niet uitgeschreven zijn in enige wetsbepaling noch met de meetlat uitgemeten kunnen worden.
Dan wordt van hem ook een moreel oordeel gevraagd. “Hebben wij zo wel recht gedaan?”
De rechter spreekt recht maar doet hij ook recht, als U begrijpt wat ik bedoel.

Nu ga ik terug naar de universiteit, naar de juridische opleiding met civiel effect.

Anthony Kronman, oud-decaan van de juridische faculteit in Yale, heeft een boek geschreven getiteld “Education’s end: Why our colleges and universities have given up on the meaning of life. Hij beschrijft hoe de curricula van de (Amerikaanse) hoger onderwijsinstellingen van een gerichtheid op de humaniora naar vakonderwijs, technisch zo U wilt, zijn overgegaan. En hij betreurt dat. Hij meent dat kennis van de humaniora voor een academicus noodzakelijk is.
De academicus moet zich ook bezig houden met de vraag naar de zin van het leven, zo zegt hij.
Ik heb grote sympatie voor zijn visie maar ga vandaag niet zover als hij. Ik beperk mij tot de juridische togaberoepen. Maar overigens ben ik het wel met Kronman eens. Laat de jonge academicus in spe ook leren nadenken over het doel van het leven, want dat is zijn boodschap.

Kennis van het burgerlijk recht, materieel en formeel, is voor de jurist onmisbaar. Deskundigheid is voor alle togaberoepen een kernwaarde. Maar … hij kan het ook opzoeken. Als hij het systeem kent en begrijpt en met een computer kan omgaan is hij al een eind op weg. Maar hoe gaat hij om met mensen en met een ethisch dilemma? En die laatste komen meer voor in de praktijk dan je als student denkt. En daar helpt de computer niet of zeer zelden!

Daarvoor, zo is mijn stelling, is de student niet of tenminste te weinig voorbereid. En dus de beginnend jurist evenmin.
Mijn conclusie zal U dan ook niet verbazen:
Er moet meer gedaan worden bij de opleiding voor een togaberoep, juist op dit punt.
Wat?
Hoe leren wij de jonge mens, de student, dat wat ik mis?

Het gaat mij zeker ook om zelfstandig, kritisch denken (wat de moderne academie ook hoog in het vaandel heeft).
Maar vooral ook leren denken voorbij de technische aanpak, die vraagt: Waar staat in de wet dat iets mag of niet, kan of niet, bestaat of niet?
Dus: Wanneer is de wet toepassen ook recht doen en wanneer niet?

En wat kan je doen als dit laatste niet het geval is?

Kennis van de mens, de interactie van mensen en bovenal de interactie op het gebied van goed en kwaad, daar waar rechtvaardigheid van belang wordt.
Hoe zou die kennis bijgebracht kunen worden?
Ervaring kan je niet eventjes leren (maar wel van de ervaring van anderen leren.)
Ik heb gedacht aan het geven van lessen in vakken als psychologie, sociologie, (rechts)filosofie. Bij dat laatste met nadruk op ethiek.
Dat lijkt mij allemaal terzake.

Maar eigenlijk denk ik dat van dit alles wat nodig is. En moet dat dan als een apart vak? Misschien, maar misschien gaat het meer om een andere aanpak van de bestaande vakken. Het leren kijken naar de wet met andere ogen dan alleen die van de toepasser pur sang.
Leer de student hoe mensen met elkaar omgaan en hoe met dilemma’s om te gaan, deze te analyseren en op te lossen. Omgaan met vragen van goed en kwaad.
Leer hem dat de voorliggende vraag vaak meer bevat dan een vraag naar wetstoepassing. Dat er ook een niet direct zichtbaar menselijk probleem in kan zitten, of een maatschappelijk. Dat er verborgen belangen kunnen meespelen (zoals de mediation ook al doet).
Leer hem dat het recht (de wet) niet een panacee biedt, maar een medicijn waarvan je de bijwerkingen goed moet kennen voor je het toedient.

Natuurlijk streeft de academische opleiding ernaar de student te leren zelfstandig te denken. Maar ik zou hem willen leren, daarenboven, dilemma’s te herkennen, ethische maatstaven te kunnen aanleggen. Een training die niet vroeg genoeg gegeven kan worden. Daarom al op de universiteit en niet pas in de beroepsopleiding respectievelijk RAIO.
Daar moet de vakspecifieke kennis geleerd worden en vaardigheden.
“Vorming van juristen, hoe voornaam ook, betekent nog allerminst: vorming van advocaten” schrijft Hermesdorf. En “Er komt bij het nobile officium iets meer en anders kijken dan een weinigzeggende meesterbul, een goed-gemaakte toga en een onberispelijke bef.”
En dan komen bij hem de beginselen van onberispelijk gedrag en ethisch besef.

Ik citeer Kronman nog maar eens: “There are few careers that require more than a handful of undergraduate courses as pre-professional training.” Natuurlijk zegt hij dat in en ander onderwijssysteem maar met de bachelor en master opleiding en beroepsopleiding daarna kunnen we ons dit ook hier ter harte nemen.
Ik pleit dus voor invoegen in de academische eisen voor civiel effect van de door mij besproken nieuwe aanpak, eventueel (tenminste) filosofie of een vorm van filosofisch georienteerd denken. Maar nieuw vak of niet, leer de jonge jurist meer begrip te krijgen voor de extra-juridische vragen die de toga-praktijk met zich brengt. Daardoor zal die jurist ook beter het beroep gaan uitoefenen. Daardoor zal hij zijn maatschappelijke rol beter vervullen, in het algemeen belang. Daarmee, tenslotte, krijgen we een meer Maatschappelijk Verantwoorde Opleiding.