Rede voorzitter mr. L.Y. Goncalves – Ho Kang You

Rede voorzitter NJV over Immuniteit als straffeloosheid

Immuniteit. Het begrip roept bij ieder van ons specifieke associaties op. De preadviezen op deze Jaarvergadering belichten de immuniteiten, vanuit verschillende rechtsgebieden en verschillende perspectieven. Het uitgangspunt is telkens hetzelfde: immuniteit creëert een uitzonderingspositie voor bepaalde rechtssubjecten. ‘Het mag niet, maar in uw geval wel.’ Daarmee kan immuniteit gemakkelijk op gespannen voet staan met andere rechtsbeginselen, zoals het recht op gelijke behandeling en toegang tot de rechter.

Ook ik heb een bepaalde associatie bij immuniteit. Dat is die met straffeloosheid. Met het beschermen van degene die onrecht begaat ten koste van een ander, het slachtoffer. Deze gedachte is de aanleiding voor waar ik vandaag met u over wil spreken. Mijn rede gaat in brede zin over de dilemma`s in de rechtspraktijk als de rechtsstaat verdwijnt. Meer specifiek, over de strijd om herstel van de rechtsstaat en democratie van de Orde van Advocaten en de rechterlijke macht in Suriname. En over de zoektocht naar gerechtigheid van slachtoffers en nabestaanden, van wie het recht op toegang tot de rechter illusoir wordt gemaakt. Mijn verhaal gaat niet over een enkel geval van straffeloosheid, maar over het abjecte fenomeen van een cultuur van straffeloosheid.

Een mooie tropennacht wordt wreed verstoord door kanonschoten. Aanhoudend en beangstigend. Het politiebureau in Paramaribo wordt kapotgeschoten, de regering afgezet. Het is 25 februari 1980 en dit blijkt achteraf een militaire coup te zijn. Binnen 24 uur presenteert het Militair Gezag zich op de televisie. Mijn kleine nichtje zegt dat we er goed naar moeten kijken, want dit zullen we later moeten leren bij geschiedenis.

De eerste scheur in onze idealen.

Ik had in Nederland rechten gestudeerd en was, zoals zovele van mijn vrienden, in 1970 teruggekeerd naar Suriname om het land op te bouwen. Mijn ideaal was de advocatuur en daarmee kon je met Nederlands recht goed uit de voeten. Ook al had Suriname een geheel eigen nationale rechtsgang, met rechtspraak in twee instanties: een kantongerecht in eerste aanleg en hoger beroep bij het Hof van Justitie. Er bestond geen cassatie. We hadden een boeiende algemene rechtspraktijk, waaronder veel toevoegingszaken. Er werd druk geprocedeerd. Aan het Romeins recht ontleende acties bloeiden, de actio pauliana was schering en inslag.

Zo hebben we eens revindicatoir beslag gelegd op een twa twa, de meest gerenommeerde zangvogel in Suriname. Hoe je moest aantonen dat een twa twa je eigendom was, hebben we van onze cliënt geleerd. Er werden deskundigen voorgeleid die in de rechtszaal die specifieke twa twa konden nafluiten. Overigens kon ook cliënt er na de uitspraak van de rechter naar fluiten.

Suriname was een land in opbouw met grote ontwikkelingsprojecten: de bouw van een spoorlijn door het oerwoud van de kust tot diep in het binnenland, olieboringen door multinationals in zee. Dat alles bracht een spannende adviespraktijk.

Er waren echter grote sociale verschillen. De handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw was nog niet opgeheven. Vrouwen kwamen na een echtscheiding in een heel afhankelijke financiële situatie omdat de alimentatie volstrekt onvoldoende was. Als advocaat deed je dan ook je best om vrouwen aan werk te helpen. Ook in arbeidsrelaties was merkbaar dat je in een ontwikkelingsland leefde. Omdat er geen sociaal vangnet was, waren cao-onderhandelingen hard en langdurig. Over iedere gulden werd onderhandeld.

In 1975 werd Suriname onafhankelijk. Er kwam een nieuwe Grondwet met een executieve president. Voor het overige waren er weinig veranderingen in rechtspraktijk en wetgeving.

 

Militair bewind

Suriname had met de onafhankelijkheid in 1975 een eigen leger gekregen. In de loop van 1979 nam de politieke en sociale onrust toe. De soldaten organiseerden zich in een militaire vakbond die de regering weigerde te erkennen. In januari 1980 werden 3 vakbondsleden gearresteerd. Toen kwam dus op 25 februari 1980 de coup, gepleegd door zestien sergeanten, om te voorkomen dat de rechtbank die dag vonnis wees. Naar verluidt waren de couppogingen een jaar lang voorbereid, daarbij zou de welwillende houding van het hoofd van de Nederlandse militaire missie kolonel Valk een rol hebben gespeeld.

De coup kwam desondanks voor de meesten als een donderslag bij heldere hemel. Die coup was niet geweldloos. Er werden schoten gelost op de procureur-generaal, gelukkig overleefde hij. Drie anderen overleefden niet. Officier van justitie Freddy Kruisland werd gevangengenomen.

Toch heerste er vreugde in het land, omdat de regering was afgezet. Dat gold ook voor ons kantoor. Maar de dag na de coup riep Kenneth Gonçalves ons bijeen en wees diep bezorgd op de consequenties van de machtsovername en de bedreiging van de rechtsstaat. Het was doodstil. Pas toen begon bij allen langzaam de ernst van de situatie door te dringen.

De staatsgreep werd eufemistisch geduid als ‘ingreep’ en de grondwet werd niet buiten werking gesteld. De advocaat Eddy Bruma werd formateur en er kwam een interim-kabinet onder leiding van de arts Henk Chin A Sen. Het parlement bleef intact, ontdaan van feitelijke macht. Spoedig ontstond een competentiestrijd tussen burgers en militairen. Die werd beslecht ten voordele van de militairen verenigd in de Nationale Militaire Raad (NMR). In die tijd waren wij getuige van het publiekelijk afranselen van verdachten door militairen. Oud-legerofficier Fred Ormskerk werd in gevangenschap doodgeslagen.

Op 13 augustus 1980 werd de Grondwet opzij gezet en trad president Ferrier af. Deken Eddy Bruma zag geen probleem, in de praktijk heb je de Grondwet immers niet nodig. Binnen de Orde van Advocaten ontstonden spanningen over stellingname vóór of tegen het regime. Ondertussen werd per decreet de noodtoestand afgekondigd. Daarbij werd de regeermacht in handen gelegd van de president, de raad van ministers én het militair gezag. Het bracht de Orde van Advocaten ertoe duidelijker stelling te nemen.

Op 11 maart 1982 werd een couppoging ondernomen door onder meer officier Rambocus, met het herstel van de democratie als doel. Daarop werd sergeant Hawker, een van de samenzweerders, op last van het Militair Gezag standrechtelijk geëxecuteerd. Sergeant Hawker werd kort voordat hij medische behandeling zou ondergaan van de operatietafel in het Academisch Ziekenhuis gehaald en vervoerd naar Fort Zeelandia. We zagen hem op de televisie, gewond, liggend op een veldbed en zo werd hij ook geëxecuteerd.

De Surinaamse gemeenschap was diep geschokt en verontrust. De Orde van Advocaten kwam met spoed in vergadering bijeen en besloot unaniem dat het bestuur schriftelijk zou reageren op de executie van sergeant Hawker. In deze brief aan de president van de Republiek Suriname onderschrijft de Orde niet alleen de bevoegdheid maar ook de plicht van het staatsgezag om met alle wettige middelen op te treden tegen misdrijven in het algemeen en tegen het teweeg brengen van een gewelddadige omwenteling in het bijzonder. Ik citeer: ‘Wij kunnen – met inachtneming van alle ter zake relevante feiten en omstandigheden – niet anders dan constateren, dat door de beslissing tot executie en de uitvoering daarvan een precedent werd geschapen, dat als zeer schrijnend voor het rechtsgevoel wordt ervaren.’

De deken weigerde de brief te ondertekenen. Veruit de meeste leden van de Orde tekenden wel. Het vertrouwen in de deken werd opgezegd, een verkiezing uitgeschreven. In de vergadering van 29 april 1982 werd een nieuw bestuur gekozen met Kenneth Gonçalves als deken en als leden onder meer Harold Riedewald en John Baboeram. Over hun lot kom ik straks te spreken.

Bij decreet van 25 maart 1982 was de feitelijke dictatuur vastgelegd: de macht valt toe aan het Beleidscentrum onder voorzitterschap van de bevelhebber van het leger. Dit centrum bepaalt de richting van het beleid van het revolutionair proces. Het presidentschap van het land wordt een louter ceremoniële functie.

Begin augustus 1982 ontstond opnieuw grote onrust in het land. Aanleiding was de beslissing van het Militair Gezag om de officieren Dihal en Birdja wederom aan te houden. Deze verdachten van de coup van 11 maart 1982 waren bij beschikking van de rechter-commissaris in vrijheid gesteld, omdat hun schuld niet was komen vast te staan. De Orde reageert bij brief van 3 augustus 1982 op de aanhouding. Ik citeer: ‘Deze beslissing impliceert […]een volstrekte miskenning van de taak en de functie van de Rechterlijke Macht in de samenleving. Hiermede wordt immers te kennen gegeven dat naar uw opvattingen het Militair Gezag verheven is boven de bestaande rechtsorde en naar eigen inzichten mag bepalen of een rechterlijke beslissing al dan niet wordt gerespecteerd.’

De Orde kwam daarna met spoed in vergadering bijeen. De advocaten besluiten geen medewerking te verlenen aan bijzondere vormen van rechtspleging. Zij zullen niet optreden bij de Krijgsraad of het Hoog Militair Gerechtshof. Noch bij het Bijzonder Gerechtshof, waar de invloed van het Militair Gezag reëel aanwezig is.

Uit het dossier van de Orde blijkt dat al de volgende dag een bespreking plaatsvond ten kantore van de Bevelhebber. Aanwezig waren naast Lt. Kol. Bouterse, Majoor Horb, de procureur-generaal en het hele parket, het bestuur van de Orde van Advocaten, de besturen van de Surinaamse Juristen Vereniging, de Juridische Studenten Vereniging, de Surinaamse Politie Bond en de Vereniging Surinaams Bedrijfsleven. Het viel op dat de rechterlijke macht niet voor deze bijeenkomst uitgenodigd was. De Bevelhebber zei dat hij kritiek had uitgeoefend op de rechterlijke macht omdat naar de mening van het Militair Gezag het Hof van Justitie, althans enige leden daarvan, bewust het proces van de revolutie ondermijnden door bepaalde mensen vrij te laten. Hij begreep dat deze kritiek hard was aangekomen, de militaire maatschappij was echter een andere dan de burgermaatschappij. In het onderhavige geval ging het om twee hooggeplaatste officieren die wetenschap hadden van een ophanden zijnde coup en in strijd met hun plicht dat niet hadden gerapporteerd. Gegeven de ernst van deze vergrijpen zou het hoogst onverantwoord zijn deze officieren vrij te laten.

De procureur-generaal en de advocaat-generaal stelden uitdrukkelijk dat ook het Militair Gezag aan de wet is onderworpen. Er bestond naar hun mening dan ook geen andere mogelijkheid dan dat betrokkenen terstond op vrije voeten worden gesteld.

Tot ieders verassing vermeldt het dagblad De Ware Tijd op 10 augustus 1982 met grote koppen: Militair Gezag eerbiedigt rechterlijke macht. Het Militair Gezag had besloten de officieren met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen. De krant bericht dat het Militair Gezag de uitspraken van de rechterlijke macht onderschrijft en eerbiedigt en nooit de bedoeling heeft gehad de zittende en/of staande magistratuur te desavoueren.

Gaandeweg verandert ook de uitoefening van de rechtspraktijk. Steeds meer interveniëren militairen in burgerlijke zaken. Een cliënt vraagt bijstand in een heftige burenruzie. Nog voor ik enige actie kan ondernemen vraagt de cliënt waarom ik niet bel met de militairen, dat had de buurman ook gedaan en deze had nu adequate bescherming. Een officier vraagt mijn bijstand omdat hij onmiddellijk wil scheiden. In mijn spreekkamer legt hij een uzi op tafel. Ik vraag hem beleefd of hij de uzi naar de deur en niet op mij wil richten. De rechtspraktijk verwordt tot toepassing van regeltjes terwijl het fundament daarvan onder onze voeten wordt weggevaagd. Geweld en angst nemen toe.

Ook de sociale spanningen nemen toe en de situatie escaleert tijdens een bezoek van premier Maurice Bishop van Grenada aan Suriname. De Moederbond staakt, alle lichten vallen uit, de voorzitter van de Moederbond,  Cyrill Daal, dreigt het land plat te leggen om democratische verkiezingen tot stand te brengen. Op een massameeting van de Moederbond komen 15.000 aanhangers, terwijl de bijeenkomst van Bouterse en Bishop slechts 1.500 getrouwen op de been brengt. Bishop adviseert zijn comrad Bouterse korte metten te maken met zijn tegenstanders met de historische opmerking: ‘A revolution is not a tea party.’

Een nationale discussie komt op gang over de democratisering van het staatsbestel. De Orde van Advocaten laat van zich horen en richt zich bij brief van 2 november 1982 tot de voorzitter van het Beleidscentrum. Daarin dringt de Orde met grote klem aan op een staatsbestel op democratische grondslagen en verklaart ze zich bereid binnen de grenzen van het mogelijke alles te doen aan de verwezenlijking daarvan.

Het wordt Divali, het mooie Hindufeest van het licht. Overal branden de vetpotjes, maar de spanning is alom voelbaar. De voorzitter van het Beleidscentrum kondigt in een televisierede aan dat uiterlijk maart 1983 democratische verkiezingen zullen worden gehouden op basis van zijn democratiseringsplannen. Die uitgangspunten zijn weinig geruststellend. Religieuze organisaties, vakbonden, de vrouwenbeweging, het bedrijfsleven, de pers, medici en de Orde van Advocaten verenigen zich in de Associatie voor Democratie. Die schrijft op 23 november 1982 aan de voorzitter van het Beleidscentrum dat diens opvatting dat de ‘sociale en ekonomische belangenbehartiging’ de essentie is van de democratie, geen blijk geeft van een democratische, maar veeleer van een totalitaire staatsopvatting. ‘Volwassen en vrije burgers beschouwen het als hun onvervreemdbaar recht om in staatsverband zelf hun leiders en vertegenwoordigers te kiezen’, zegt de brief. Aangedrongen wordt om langs de weg van dialoog te komen tot een nieuwe ordening op basis van een Grondwet.

Deze oproep tot een dialoog werd, zoals bekend, met de kogel beantwoord.

In de nacht van 7 en 8 december 1982 werden zestien burgers van hun bed gelicht en na ernstige marteling werden vijftien standrechtelijk geëxecuteerd. Onder hen drie bestuursleden van de Orde van Advocaten, John Baboeram, Kenneth Gonçalves en Harold Riedewald, en de advocaat Eddie Hoost. De waarschuwing in de brief van 23 november werd bewaarheid: de leiding van de Staat was terechtgekomen in een vicieuze cirkel waarbij repressieve machtshandhaving niet langer een middel was, maar een alle aandacht en energie verslindend doel was geworden.

 

Wendingen in de procesgang

Nabestaanden dienden een klacht in bij de Inter-Amerikaanse Mensenrechtencommissie. Het VN Mensenrechtencomité kwam op verzoek van nabestaanden tot een veroordeling. Ook in Nederland werden pogingen gedaan om vervolging uit te lokken. Dit leidde tot een vervolgingsbevel van het Hof Amsterdam, waarbij een positief advies werd uitgebracht door de expert prof. John Dugard. De Hoge Raad oordeelde echter dat er geen rechtsmacht bestond. Na jaren van justitiële inactie dreigt vervolgens verjaring en wordt op 31 oktober 2000 eindelijk een doorbraak geforceerd. Op die dag beveelt het Hof van Justitie in Suriname, naar aanleiding van een door de nabestaanden en maatschappelijke organisaties geïnitieerde beklagprocedure, dat tegen Bouterse c.s. strafvervolging wordt ingesteld ter zake van de decembermoorden. Met de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek, korte tijd later, wordt voorkomen dat de moorden verjaren. Het proces begint echter pas op 30 november 2007.

In juli 2010 nemen de politieke machtsverhoudingen een onverwachte wending: de hoofdverdachte wordt gekozen tot president van Suriname. Het proces wordt gewoon voortgezet, maar in maart 2012 dienen assembleeleden van de NDP, de partij van de president, een ontwerpwet in ter wijziging van een oude amnestiewet uit 1992. Die wordt in april met 28 tegen 12 stemmen aangenomen. De nieuwe wet beoogt amnestie te verlenen aan Bouterse en alle andere personen die terecht stonden in het decembermoordenproces.

De opstellers van de initiatiefwetswijziging begaan echter volgens de advocaat Hugo Essed een misslag. Volgens de tekst van de nieuwe amnestiewet krijgen namelijk alleen personen amnestie die in de periode tussen 1 april 1980 en 20 augustus 1992 als verdachten waren aangemerkt en als zodanig waren gedagvaard in verband met de decembermoorden. Bouterse c.s. zijn echter pas in het jaar 2000 als verdachten aangemerkt en de dagvaardingen zijn pas op 5 november 2007 verzonden.

De Inter-Amerikaanse Commissie voor Rechten van de Mens doet een dringend beroep op de Surinaamse regering om te handelen conform hun verplichtingen onder internationaal recht.[1]

De misslag in de amnestiewet is de krijgsraad kennelijk niet opgevallen. Tijdens de zitting op 11 mei 2012 gaan de rechters er namelijk gewoon toe over de gewijzigde amnestiewet bij de behandeling van het strafproces te betrekken.

De auditeur-militair stelde zich op het standpunt dat de strafzaak voor onbepaalde tijd moet worden geschorst, zodat het nog niet operationele constitutioneel hof de amnestiewet kan toetsen aan de grondwet en internationale verdragen. De rechterlijke bevoegdheid om wetten te toetsen aan verdragen was volgens hem niet aan de orde, omdat er geen verdragsbepalingen zijn waarmee de amnestiewet in strijd zou zijn. Ten aanzien van de bevoegdheid tot toetsing aan de klassieke grondrechten zou de amnestiewet volgens hem wel een doorkruising kunnen inhouden van de aanspraak van nabestaanden op een eerlijke en openbare behandeling van hun klacht door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, die hen door de wet is aangewezen.

De krijgsraad bevestigt in zijn uitspraak het standpunt van de auditeur-militair dat het Inter-Amerikaans Verdrag geen ‘een ieder verbindende bepalingen’ bevat waarmee de amnestiewet in strijd zou zijn. Daarnaast oordeelt de krijgsraad dat de amnestiewet de grondrechten van de nabestaanden niet doorkruist. De rechters concluderen ook, in tegenstelling tot de bevindingen van professor Dugard,[2] dat de decembermoorden niet kunnen worden gekwalificeerd als misdrijven tegen de menselijkheid.

De krijgsraad overweegt dat een niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie ‘praktisch altijd een onbehaaglijk gevoel van machteloosheid achterlaat bij slachtoffers en benadeelden dan wel hun nabestaanden’. Maar zolang wordt voorzien in de minimumwaarborgen van schadevergoeding, getuigplicht en rechtsherstel, is er volgens de rechters niets aan de hand. Aan de getuigplicht hebben de nabestaanden voldaan, terwijl van het recht op het vorderen van schadevergoeding geen gebruik is gemaakt.

De amnestiewet voorziet bovendien in het nodige rechtsherstel door instelling van een waarheids- en verzoeningscommissie.

De krijgsraad kon echter toch geen toepassing geven aan de amnestiewet alvorens de vraag was beantwoord of de amnestiewet moet worden beschouwd als een inmenging in een lopende strafzaak, als bedoeld in artikel 131 lid 3 van de Grondwet. Nu de krijgsraad zich niet tot beantwoording van die vraag bevoegd achtte—de bepaling is geen klassiek grondrecht—werd de vervolging geschorst zodat het nog in te stellen constitutioneel hof zich een oordeel kan vormen over deze ene ‘prejudiciële, constitutionele rechtsvraag’.

Het Internationaal Comité van Juristen spreekt van sterke aanwijzingen dat de krijgsraad onder grote druk werd gezet om het strafproces te beëindigen. Sommige rechters zouden zich onveilig voelen. Er zijn bedreigingen tegen journalisten, mensenrechtenactivisten en juristen. President Bouterse betitelt de tegenstanders van de amnestiewet tijdens een massameeting als staatsvijanden.

Namens de nabestaanden van de decembermoorden wordt na de beslissing tot schorsing, in augustus 2012, een verzoekschrift ingediend bij de krijgsraad.[3] Het verzoekschrift bevat punten die voor de krijgsraad aanleiding hadden moeten zijn de amnestiewet niet toe te passen. Het recht op een eerlijk proces in dit soort strafzaken geldt zowel voor verdachten als slachtoffers en nabestaanden. Het Inter-Amerikaans Verdrag sluit uit dat rechtsherstel plaatsvindt door middel van een waarheids- en verzoeningscommissie. Het verdrag is bindend in zoverre dat nationale rechters verplicht zijn zich te voegen naar de gezaghebbende interpretaties van het Inter-Amerikaans Hof. Dat zegt ook dat geen nationale amnestiewet kan beletten dat plegers van mensenrechtenschendingen worden vervolgd en bestraft. De right to justice kan volgens het Hof alleen gestand worden gedaan als de staat handelt conform zijn duty to punish.

De krijgsraad oordeelde op 5 december 2012 dat er vooralsnog geen juridische grondslag is om het verzoekschrift van de nabestaanden in behandeling te nemen, omdat ‘het strafproces […] formeel geschorst’ was. Mr. Essed heeft erop gewezen dat dit standpunt van de krijgsraad berust op een misvatting.[4] Volgens hem is niet het strafproces geschorst, maar slechts de vervolging. Het ontwerp van wet tot instelling van een constitutioneel hof wordt door mr. Essed als een ‘regelrechte aantasting van de onafhankelijkheid van de Surinaamse rechterlijke macht’ beschouwd.[5]

 

De weg van het vervolg

Aan de moeder van Kenneth Gonçalves werd eens gevraagd wat ze zou willen dat er met Bouterse zou moeten gebeuren. Ze zei dat het haar er niet in de eerste plaats ging om wat voor straf hij zou moeten krijgen. Ze zei: ik zou hem zo graag in zijn ogen willen aankijken en vragen, waarom heb je dit met mijn zoon gedaan. De vraag naar het waarom, naar morele waarden blijft hangen. De verdachten staan terecht vanwege schending van de meest fundamentele van alle fundamentele rechten, het recht op leven. In dat licht is straffeloosheid onacceptabel. Daarvoor kan geen amnestie gelden.

Er is geen reden tot optimisme. Die was er ook niet bij degenen die zich in 1982 verenigden in de Associatie voor democratie. Maar het realisme dat ons optimisme verbiedt, legt ons evenzeer de plicht op van de hoop. Zoals wijlen dissident en president Václav Havel ooit zei: ‘Diep in onszelf dragen we hoop. Is ze niet daar dan is ze nergens.’[6] Hoop is niet de inschatting van de kans van slagen, maar de inzet om te werken aan wat goed is. Hoop is niet de overtuiging van de goede afloop, maar de zekerheid dat iets ertoe doet ongeacht de afloop.

Die hoop brengt nieuwe realiteit. Strijdbaarheid is het wezenskenmerk van ons vak. Het is van wezenlijk belang dat juristen in moeilijke omstandigheden, zowel moreel als technisch, zich gesteund weten door beroepsgenoten zoals de Nederlandse Juristen Vereniging, Advocaten voor Advocaten, Rechters voor Rechters, het Internationaal Comité van Juristen. Zo hebben de Nederlandse en Amsterdamse Orde van Advocaten bijgedragen aan de beroepsopleiding van juristen in Suriname.

De geschiedenis neemt vaak lang de tijd en dwingt ons tot pijnlijk geduld. Maar zolang wij het woord van het recht kunnen spreken, zal in Suriname het laatste woord niet aan de straffeloosheid zijn.


[1] ‘IACHR Expresses Concern about Amnesty Legislation in Suriname’, 13 April 2012, <http://www.oas.org/en/iachr/media_center/PReleases/2012/038.asp>.

[2] Hof Amsterdam 7 juli 2000, LJN: AA8427 (Opinion re Bouterse).

[3] Zie de bijlage bij ‘Nabestaanden 8 decemberproces willen dit jaar berechting’, Starnieuws, 9 januari 2013, <http://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/14975>.

[4] ‘Essed: Amnestieschip gestrand op juridische modderbank’, Starnieuws, 17 januari 2013, <http://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/15089>.

[5] ‘Eén jaar Amnestie splijtzwam’, Starnieuws, 4 april 2013, <http://www.starnieuws.com/index.php/welcome/index/nieuwsitem/16379>.

[6] V. Havel e.a., Disturbing the Peace: A Conversation with Karel Hvíz̆d̆ala, New York: Alfred A. Knopf, 1990.