Rede voorzitter mr. E.E. Minkjan (Jaarvergadering 2012)

Rede voorzitter NJV, Lineke Minkjan, over Publiekrechtelijke Beroepsorganisaties (PBO’s)

1800/8 juni 2012/ 4 juni 2012

Ik wilde het met u hebben over publiekrechtelijke beroepsorganisaties, PBO’s, en dat die nog heel goed meedraaien.

Succesvolle beroepsorganisaties vervullen drie functies:
1. het positioneren van hun beroepsgroep,
2. het reguleren en zorgen voor de kwaliteit van hun leden, en
3. het bieden van service aan hun leden.
Dit zijn als het ware drie propellerbladen van een of branche- of beroepsorganisatie, met een as, het bestuur en bureau van de organisatie, die ze bijeenhoudt. Het beeld is van Peter Tack van de VU.
Je kunt één van die gebieden wel tijdelijk verwaarlozen, maar niet te lang.

Positioneren. Een PBO moet het belang van de beroepsgroep uitleggen en behartigen bij publiek en politiek. Zij moet een lange termijn strategie ontwikkelen en lobbyen voor het publieke belang dat is gemoeid met het vakgebied van hun leden. Het gaat bijvoorbeeld om ‘het recht op recht’ of ‘het recht op rechtszekerheid’ en niet om de individuele belangen van advocaten of notarissen. Hier doet zich natuurlijk een spanning voor: de leden willen dat de PBO hun belangen behartigt.

Regelgeving en kwaliteit, ordening. Een PBO moet zorgen voor een goede beroepsuitoefening van haar leden. Daarvoor moet zij regels stellen, die alleen voor haar leden gelden. Die regels zijn wel gebonden aan voorwaarden, die ook in de tijd veranderen. De afgelopen jaren krijgt de externe legitimatie van de zelfregulering veel aandacht. Verder moeten de regels worden gehandhaafd.

Service aan de leden. Een PBO moet zijn leden ook service bieden.
Daar versta ik ook onder: rekening houden met de wensen van de leden: er moet een democratische legitimering zijn, en rechtsbescherming.

Als één van die propellerbladen niet genoeg aandacht krijgt, zakt de zaak in elkaar.

Lobby: als je je niet positioneert en niet lobbiet voor het belang waarvoor je in de wereld bent geroepen, ziet de politiek je niet. Dan ben je intern ‘heel goed bezig’ met de eigen kwaliteit van de leden en die zijn heel tevreden met al je diensten, maar voor je het weet ziet de politiek jouw beroepsgroep en zijn publieke belang helemaal niet meer staan.
Kwaliteit en regels: als je niet zorgt dat er goede regels zijn en dat je leden zich daaraan houden en goede kwaliteit leveren, dan zijn je leden misschien heel tevreden met de service die je biedt en de lobby die je voert, maar dan val je al snel door de mand.
Service: als je alleen maar regels en kwaliteitseisen stelt aan de leden en daarover goede contacten hebt met Den Haag in het lobbycircuit, maar je schenkt geen aandacht aan de leden, dan laten die je in de steek.

Ik wil die drie propellerbladen graag met u doornemen.

1. Lobby en positionering

De openbare lichamen voor beroep en bedrijf zijn in ons huidige staatsbestel belangrijke lichamen van functioneel bestuur met verordenende bevoegdheden. Verordeningen binden bedrijfstakken en individuele ondernemingen en beroepsbeoefenaren aan bepaalde normen en voorschriften; voor de verordenende bevoegdheid is een grondwettelijke verankering gewenst.

Artikel 134 Grondwet vormt de formele basis.

 

  1. Bij of krachtens de Wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.
  2. De Wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, samenstelling en bevoegdheden van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de Wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.
  3. De Wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang

Het gaat hier om openbare lichamen waarvoor in 1922 de basis is gelegd in de Grondwet en die vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw zijn opgericht. Het zijn allerlei verschillende organisaties, die gemeenschappelijk hebben dat zij zijn ingesteld ten behoeve van de belangenbehartiging, regulering en marketing van een bepaald specifiek beroep, danwel een bepaald type bedrijf, zoals de detailhandel of de agrarische sector. In de besturen van deze lichamen zijn de beoefenaars van deze beroepen vertegenwoordigd. De beroepsbeoefenaren zijn verplicht lid van de PBO.
Voor alle duidelijkheid: het gaat hierbij niet om privaatrechtelijke organisaties. Het gaat om vormen van functionele decentralisatie. Naast deze vormen van functionele decentralisatie zijn er ook nog andere vormen zoals waterschappen, ook geregeld in de Grondwet, en zelfstandige bestuursorganen, niet geregeld in de Grondwet.
Er zijn een heleboel bedrijfsschappen. Voor de beroepen zijn er echter maar enkele lichamen voor beroep tot stand gebracht. Het gaat hierbij vooral om sectoren die een sterke verwantschap vertonen met de publieke sector. Op dit moment zijn er zes lichamen voor beroep, te weten, in chronologische volgorde:
– de Nederlandse Orde van Advocaten
– de organisatie voor accountants, nu nog NIVRA en NOvAA, binnenkort – ook wettelijk-  gefuseerd tot Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants
– de Nederlandse Loodsen Coöperatie
– de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie
– de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders.

Om de zoveel tijd worden de PBO’s geëvalueerd.

ROB
Zo heeft de Raad voor het openbaar bestuur (ROB) eind 2003 , onder voorzitterschap van prof. S.E. Zijlstra, een advies uitgebracht over de modernisering van dit hoofdstuk uit de Grondwet. Conclusie was dat artikel 134 de wetgever voldoende ruimte bood voor toekomstige ontwikkelingen en eventuele nieuwe inzichten omtrent het functioneren van deze lichamen. Daarbij biedt het duidelijkheid, bijvoorbeeld over de vraag of deze organisaties verordenende bevoegdheden hebben.

SER
In 1997 heeft de Sociaal Economische Raad (SER) een advies uitgebracht aan de regering over de toekomst van het PBO-stelsel, en dan met de nadruk op de bedrijfsorganisaties. De regering vond toen dat er ruimte voor het bedrijfsleven moest blijven om zelf zijn zaken te regelen op publiekrechtelijke basis, maar de ministers zouden meer bevoegdheden moeten krijgen om zich tegenover de Tweede Kamer te kunnen verantwoorden over het functioneren van de PBO. De regering wilde de bestuursleden door de Kroon of de Minister laten benoemen en de verordeningen ook toetsen aan het rijksbeleid. De SER adviseerde daartegen. De PBO’s zijn in het leven geroepen om het bedrijfs- en beroepsleven, voor eigen rekening, zelf zijn zaken ter hand te laten nemen. Daarbij moeten zij rekening houden met het algemeen belang. Zo mogen zij gezonde mededinging niet in de weg staan. De Raad adviseerde dat de PBO’s hun bestaande regelgeving periodiek zouden evalueren op effectiviteit en noodzaak. De Raad onderstreepte de wenselijkheid om organisaties van ‘derdenbelangen’ systematisch, zorgvuldig en tijdig te betrekken in de voorbereiding van besluiten van bedrijfslichamen.
De verantwoording naar de eigen sector zou moeten worden verbeterd. De besturen zouden er naar moeten streven alle beroepsgenoten te betrekken bij het te voeren beleid.
Dat zijn terugkerende thema’s, zoals we zullen zien.

In hoeverre verschilt een beroepsorganisatie van een bedrijfsorganisatie? Bij de bedrijfsorganisatie staan de groei en bloei, kortom de winstgevendheid van de bedrijfstak, en daarmee van de leden, voorop. Voor een publiekrechtelijke beroepsorganisatie ligt dat wat anders. Hun taak is, samengevat, de zorg voor een goede beroepsbeoefening. De goede praktijkuitoefening is weliswaar ook in het belang van de eigen leden, maar dient tevens een hoger belang: dat van de rechtzoekende, dat van de rechtsbedeling in het algemeen en daarmee van de samenleving.

Algemeen belang en groepsbelang

PBO’s moeten dus het algemeen belang van een beroep behartigen en zich niet opstellen als pure belangenverenigingen. Maar natuurlijk mag het groepsbelang ook een rol spelen bij de belangenbehartiging. Ook de beroepsorganisatie zal moeten waken voor het voortbestaan van de soort, wat weer in het algemeen belang is. Daarbij hoort ook de bevordering van een zekere graad van economische welstand. Van kwalitatief goede juridische dienstverlening kan niet worden gesproken als niet een zeker bestaansminimum is gewaarborgd (gefinancierde rechtshulp!).

De opvattingen over de taken en grenzen van een  veranderen in de loop van de tijd en soms wordt het accent meer hier, soms meer daar gelegd. Maar steeds komen er verwijten van de beroepsbeoefenaren dat de beroepsorganisatie te terughoudend is. En de overheid en de politiek vinden al snel dat het eigen belang te veel voorop staat.

In de Advocatenwet, die dateert van 1952, staat wel als taak voor de Orde: het opkomen voor de rechten en belangen van de advocaten ‘als zodanig’. Die individuele belangenbehartiging staat niet in de Wet op het Notarisambt en Gerechtsdeurwaarderswet.
Bij de notarissen is die bij amendement uit het wetsvoorstel geschrapt. Volgens de toelichting op het amendement is de taak van de KNB beperkt ‘tot die onderwerpen waarmee een openbaar of publiek belang is gemoeid. De behartiging van de gemeenschappelijke belangen, met name de economische belangen van notarissen als zodanig, behoort daar niet toe.’ (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 23 706, nr. 23)
Het amendement is geïnspireerd door de aanbevelingen van de Werkgroep domeinmonopolie advocatuur (Werkgroep-Cohen) uit 1995.
Van invloed is ook geweest de opstelling van de KNB ten aanzien van de tarieven; in de kamerstukken is de irritatie van de kamerleden daarover te lezen (bijvoorbeeld Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 23 706, nr. 32, pag. 24).

In de meeste gevallen vallen de gemeenschappelijke beroepsbelangen samen met de publieke belangen. Een zuiver onderscheid is niet te maken. De wetgever heeft willen onderstrepen dat het algemeen belang als ‘referentiekader’ geldt en dat dus niet uitslúitend het groepsbelang mag worden gediend.

Een recent voorbeeld van teleurgestelde beroepsbeoefenaren is natuurlijk de recente coup in het notariaat, zoals de pers het omschreef. Daarbij is het gehele bestuur van de beroepsorganisatie afgezet. Ook daar was het verwijt: de KNB durft niets; die denkt dat ze alleen het publieke belang mag behartigen en daarom is de KNB veel te terughoudend in de belangenbehartiging.
Het nieuwe bestuur heeft op zich genomen te onderzoeken hoe dit anders kan.

Het doet sterk denken aan de vaderlandse geschiedenis. U herinnert zich de liberalen aan het eind van de negentiende eeuw. Die wilden dat de politiek ijverde voor het algemeen belang. Daarover moest in clubs worden gedebatteerd. Maar toen kwamen de gereformeerden, Kuijper, en de socialisten Domela Nieuwenhuis, en die wilden helemaal niet opkomen voor het algemeen belang, maar voor hun eigen belang. En tegenwoordig vindt iedereen dat ook heel normaal. Als iemand zegt dat hij opkomt voor het algemeen belang, dan zegt men: ja, tuurlijk, je komt op voor je eigen belang. En dat is ook goed. Het spel der krachten in het parlement.

Zo moet het ook. Je moet je voortdurend afvragen: doen we het nog wel goed? Doen we wel de goede dingen?

Sterke PBO nodig

Het meest recent is de PBO geëvalueerd voor de gerechtsdeurwaarders door de Commissie Van der Winkel. (Noblesse Oblige, rapport van de commissie evaluatie Koninklijke Beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders, maart 2009) De commissie beveelt  het volgende aan:
De KBvG stelt zich niet op als een belangenvereniging, maar overeenkomstig haar wettelijke status als een publiekrechtelijke beroepsorganisatie, die de beroepsnorm hoog houdt.
In het kabinetsstandpunt staat daarover:
‘Ik onderschrijf deze aanbeveling van harte.
De KBvG dient meer dan thans het geval is een gidsrol te vervullen, zoals de Commissie constateert. Iedere gerechtsdeurwaarder heeft een eigen belang bij een sterke publiekrechtelijke beroepsorganisatie, ook al valt dat misschien niet altijd op korte termijn te meten aan de hand van concrete resultaten die voor ieder individueel lid voordelig uitpakken.’
(Brief van de Staatssecretaris van Justitie, N. Albayrak, aan de Tweede Kamer van 3 november 2009)

Wie vertegenwoordigt die organisatie eigenlijk?

Als de beroepsorganisaties opkomen voor algemeen-belangkwesties rijst wel de vraag: wie vertegenwoordigt die organisatie eigenlijk? Kan zij nog wel de gehele beroepsgroep vertegenwoordigen? Je hebt de hele grote kantoren, die steeds verder commercialiseren.  Dan zijn er de kleine en een-persoonskantoren, binnen de advocatuur vertegenwoordigd door de Bond van Ondernemende Advocaten (BOA), die de PBO eerder als tegenstander ziet door haar regelgevende bevoegdheden. Daartussenin zit de derde categorie, de middelgrote praktijk. Daarvan zijn velen aangesloten bij specialisatieverenigingen, die de belangen van de specialisten behartigen. In de jaren zeventig en tachtig had je de sociale advocatuur, die zich aanvankelijk afzette, maar ten slotte samen optrok met ‘de gevestigde orde’.

Het notariaat is ook pluriformer aan het worden net als de deurwaarderij. In het notariaat heb je aparte verenigingen, zoals Formaat Notarissen en Netwerk notarissen. En recent de belangenvereniging ‘De nieuwe stempel’. Bij de deurwaarders laat sinds kort het Genootschap van onafhankelijke gerechtsdeurwaarders van zich horen.

Dus: kan de beroepsorganisatie nog wel de gehele beroepsgroep vertegenwoordigen? Jazeker! zou ik zeggen. En die móet dat ook, juist omdat het om dat hogere belang gaat.
Als de beroepsorganisatie zich niet druk maakt over het verschoningsrecht of de toegang tot het recht, gaan die teniet in het geweld van politieke afwegingen. En alle beroepsbeoefenaren hebben daar baat bij, het recht op recht en rechtszekerheid.

Voorbeeld: de draconische verhoging van het griffierecht is voorlopig van de baan!
Ere wie ere toekomt: hier heeft de Orde van Advocaten een enorm offensief gepleegd. Er stonden vooral advocaten op het Plein, afgelopen september, maar die herkende je aan hun toga’s; er waren ook notarissen en deurwaarders, en hun voorzitters stonden naast de algemeen deken op het podium.

Dat was het eerste propellerblad. U ziet dat als de beroepsorganisatie haar beroep en het ‘recht op recht en rechtszekerheid’ goed positioneert, dat iedereen ten goede komt en de propeller blijft draaien.

2. Regelgeving en kwaliteit

Waarover mogen beroepsorganisaties verordeningen maken? Over de goede praktijkuitoefening en de organisatie van de beroepsorganisatie. In de loop van de tijd geeft de wetgever daar beperkingen in, of laten we zeggen aanwijzingen.

In de Advocatenwet van 1952 stond eenvoudig:
Het college van afgevaardigden kan verordeningen vaststellen in het belang van de goede uitoefening van de praktijk. (En het college stelt voorts de nodige verordeningen vast betreffende de huishouding en organisatie van de Nederlandse Orde van Advocaten, en eventueel een pensioenregeling .)
In 1952 was dit een facultatieve bevoegdheid: ‘kan’ verordeningen vast stellen, die in 2002 is veranderd in een gebiedende bevoegdheid: ‘stelt vast’. Dit was in lijn met de aanbevelingen van de Werkgroep domeinmonopolie advocatuur (Werkgroep Cohen) uit 1995 en onderstreept dat verordeningen slechts worden vastgesteld in het belang van de goede praktijkuitoefening. In de toelichting op deze wetswijziging werd uitgelegd, dat het college van afgevaardigden bij de uitoefening van zijn bevoegdheid steeds het algemeen belang als referentiekader moest nemen. ‘Bovendien mogen verordeningen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is om het gewenste doel te bereiken en mogen zij de marktwerking niet onnodig beperken.’

Deze Cohen-toets staat bij het notariaat en de deurwaarders in de wet zelf. Bovendien mogen zij alleen verordeningen vaststellen over onderwerpen waartoe de Notariswet of de Deurwaarderswet opdracht geeft. Dat blijkt ook steeds te gaan over de goede praktijkuitoefening: zoals beroeps- en gedragsregels, interdisciplinaire samenwerking, de beroepsopleiding, de stage, intercollegiale kwaliteitstoetsen, en binnenkort een verplichte klachten– en geschillenregeling; en de organisatie.

De minister van Veiligheid en Justitie houdt toezicht op de verordeningbevoegdheid. Bij de verordeningen van de advocaten gaat het –  nu nog – om de mogelijkheid van vernietiging nadat de verordeningen zijn vastgesteld, wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Bij de verordeningen van de notarissen en de deurwaarders gaat het om voorafgaande goedkeuring van de minister, die toetst aan het recht of het algemeen belang.
Die zijn daarmee beter af: tegen de weigering van een goedkeuring is op grond van artikel 8:1 lid 3a Awb beroep bij de bestuursrechter mogelijk, en wel meteen, zonder bezwaar (artikel 7:1 lid 1c).
Tegen de vernietiging is geen beroep mogelijk: artikel 8:4 sub a Awb.
Materieel is de gang van zaken volstrekt vergelijkbaar. Natuurlijk gaan de beroepsorganisaties eerst polsen bij justitie wat men daar vindt van een verordening en bijna altijd is er instemming met de plannen. Alleen als daar bezwaar bestaat tegen de verordening is er verschil.

Bij de notarissen hebben we meegemaakt dat de minister de goedkeuring weigerde van een aantal bepalingen uit de Verordening Beroeps- en gedragsregels en de beroepsorganisatie is daartegen in beroep gegaan bij de bestuursrechter. We kregen gedeeltelijk gelijk en zowel de beroepsorganisatie als de minister hebben besloten niet in hoger beroep te gaan.

Bij de advocaten is de Stageverordening in 1957 vernietigd en 50 jaar later de Verordening ‘op het resultaatgerelateerd declareren’.
Bij het no cure no pay verbod is natuurlijk interessant dat de NMa aandringt op afschaffing en de regering zich keer op keer verzet tegen versoepeling daarvan. Bij de notarissen is het helemaal niet relevant, het verbod is indertijd overgeschreven van de advocaten, maar vorig jaar zonder enige ophef afgeschaft.

Externe legitimatie

In het recente wetsvoorstel tot wijziging van de Advocatenwet, in 2009 ingediend, naar aanleiding van de evaluatie van de Commissie advocatuur (Commissie Van Wijmen) besteedt de regering veel aandacht aan de externe legitimatie van de zelfregulering door de beroepsgroep. ‘De kwetsbaarheid van de beroepsregulering is gelegen in het feit dat een beroepsgroep door middel van zelfregulering de kwaliteitseisen en de toelatingseisen zelf vaststelt. Dat roept in de samenleving in toenemende mate weerstand op’. Aldus de memorie van toelichting.
Met het oog hierop worden de kernwaarden van de advocatuur toegevoegd als toetsgronden voor de verordeningsbevoegdheid. Zij worden ingeluid met de grondslag van de bijzondere rol van de advocaat: het algemene belang van een goede rechtsbedeling.
Verder wordt het systeem van mogelijke vernietiging van een verordening achteraf veranderd in de goedkeuring van de minister vooraf, waarbij de regelgeving van de KNB tot voorbeeld wordt gesteld.

Bovendien wordt met het oog op de externe legitimering een Raad van Advies ingevoerd voor de totstandkoming van verordeningen, waarin de meerheid uit niet-advocaten bestaat.
Eigenlijk had de commissie Van Wijmen voorgesteld een regelgevende Raad in te stellen voor de advocatuur, die de regelgevende bevoegdheden van de Orde zou overnemen. Maar dat zou betekenen dat de belangrijkste reden voor de structuur van de Orde als publiekrechtelijke beroepsorganisatie, namelijk de zelfregulering van de beroepsuitoefening, teniet wordt gedaan. 

Ook de evaluatiecommissie van de gerechtsdeurwaarders, de commissie Van der Winkel stelt voor derden te betrekken bij de regelgeving.

De KNB heeft een paar jaar geleden ter voorbereiding van de modernisering van de beroeps- en gedragsregels voor notarissen een rondetafelbijeenkomst georganiseerd. Daar hebben vertegenwoordigers van de Consumentenbond, Vereniging Eigen Huis, de makelaars en de NMa niet te vergeten, hun mening gegeven. Mede als gevolg daarvan heeft de KNB reclamerestricties laten vallen: alleen de Reclame code geldt nog, die voor het hele bedrijfsleven geldt, ‘gewone’ bedrijfsleven moet ik misschien zeggen.

In het buitenland gaan ze overigens veel verder en ook wetenschappers, zoals Nick Huls en Marc Loth, zijn hiervan gecharmeerd. Die hebben een Autoriteit Juridische markten (AJM) bepleit, die in meerheid uit niet-juristen zou moeten bestaan. De AJM zou minimumeisen moeten vaststellen voor de uitoefening van de juridische beroepen. Die zouden gedifferentieerd kunnen zijn, bijvoorbeeld voor juristen die zich bezig houden met advisering en voor procesjuristen. Onder die Autoriteit Juridische markten zouden dan een paar eerste lijn- regulators ressorteren die meer specifieke beroepsregels vaststellen voor hun eigen beroepsgroep. De AJM zou toezicht op de regelgevers uitoefenen. Het idee is geïnspireerd door de voorstellen in het Clementi-rapport, dat  in de UK al een heel stuk is ingevoerd.

Handhaving: tuchtrecht en toezicht

De regels moeten ook worden gehandhaafd.
Notarissen en deurwaarders zijn ambtenaren, die weliswaar zelf hun salaris moeten verdienen, maar zij hebben een openbaar ambt. Bij hen is daarom minder sprake van ‘zelfregulering’ dan bij de advocatuur. Van oudsher was de president van de rechtbank voorzitter van de kamer van toezicht over de notarissen en de griffier was secretaris van dat tuchtcollege. Verder nog een kantonrechter en een belastingambtenaar, en twee notarissen. In het appelcollege zit geen enkele notaris. De tuchtrechter oefent ook toezicht uit. Dat heeft allerlei principiële en praktische bezwaren, vandaar dat al jaren wordt aangedrongen op ontvlechting van beide. Naar aanleiding van het evaluatierapport Hammerstein is de wet op het notarisambt gewijzigd. Per 1 januari a.s. zal het Bureau financieel toezicht het integrale toezicht op het notariaat gaan uitoefenen. Dit is een aparte toezichthouder, een ZBO, die geheel los staat van de beroepsorganisatie. Die heeft en houdt nog steeds een rol bij handhaving: wij moeten klachten indienen als wij op klachtwaardige zaken stuiten. Bijvoorbeeld bij onze intercollegiale kwaliteitstoetsingen.

Bij de advocatuur ligt de handhavende rol heel duidelijk bij de beroepsbeoefenaren zelf, met name bij de dekens. Docters van Leeuwen heeft voorgesteld hier een toezichthouder boven te plaatsen en de regering heeft dat verwerkt in een voorstel tot wijziging van de Advocatenwet. De Orde ziet niets in zo’n toezichthoudend college boven de dekens. De uitkomst is nog onbeslist.
Het tuchtrecht van de advocatuur was aanvankelijk geheel een kwestie van zelfregulering. In 1984 is er een  lid van de rechterlijke macht als voorzitter van het tuchtcollege gekomen. De meerderheid van het appelcollege, het Hof van discipline, is lid van de rechterlijke macht, en geen advocaat.

De deurwaarders kregen in hun evaluatierapport van der Winkel een heel strenge aanwijzing: U moet harder aanpakken! En dat doet de KBvG nu ook.

Ik heb het belang van dit propellerblad wel duidelijk gemaakt: zo zorgen wij voor de ordening van onze leden; dat de regels evenwichtig tot stand komen en de leden zich eraan houden.

3. Leden service

Een PBO moet zijn leden ook service bieden.
Daar versta ik ook onder: rekening houden met de wensen van de leden: er moet een democratische legitimering zijn, en rechtsbescherming.

Service

Service kan bestaan uit het geven van voorlichting, het beantwoorden van vragen en het geven van cursussen. Bij de KNB is er ook de opvang van klachten van consumenten, die niet berust op een wettelijke taak, zoals dat wel geldt voor de klachtenopvang die bij de advocatuur op grond van de Advocatenwet bij de dekens en hun bureaus plaats vindt. De collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering en arbeidsongeschiktheidsverzekering voor notarissen vallen ook onder service.

Hoever mag een PBO hierin gaan? De opvattingen veranderen daarover in de loop van de tijd. En er zijn geen vaste schema’s of recepten voor op te stellen.
De Werkgroep-Cohen meende onder meer dat het gedwongen lidmaatschap van een PBO terughoudendheid impliceert bij het opleggen van verbindende verplichtingen. Daarom zouden de verplichte financiële bijdragen strikt moeten worden beperkt tot de kosten die direct uit de wettelijke taak voortvloeien. Als gevolg daarvan is Balieplus opgericht.
Maar zo’n zeven jaar later kwam de Orde van Advocaten tot de conclusie dat de grenzen niet te nauw moeten worden getrokken. ‘Zolang we maar het algemene groeps- of Ordebelang dienen, hoeven we niet bang te zijn voor overheidsreacties’.

De KNB heeft in 1999, toen ze van vereniging een PBO werden, uitdrukkelijk besloten bepaalde activiteiten voort te zetten: bijvoorbeeld het beantwoorden van rechtsvragen – tegen betaling – en de klachtenopvang.

De KBvG kreeg van haar evaluatiecommissie te horen, dat hun bureau een krachtig instituut moest zijn. En de reactie van het kabinet daarop was: ‘Gezien de taken die de KBvG als PBO dient waar te maken, is de aandacht die de commissie vraagt voor de professionele kracht van het bureau van de KBvG terecht Het bureau dient een constante factor binnen de KBvG te zijn: een vooraanstaand instituut en kenniscentrum waar het om gerechtsdeurwaarders in de breedste zin gaat. De kosten hiervoor worden door de gerechtsdeurwaarders gezamenlijk gedragen.’

Democratische legitimering

De leden moeten zich gehoord voelen. Dat is nog best lastig.
De leden van de ledenraad en het college van afgevaardigden: stemmen die zonder last of ruggespraak? De wet en de verordeningen zeggen er niets over. Maar de toelichting op de Wet op het notarisambt (art. 67) zegt bijvoorbeeld, dat de verhouding van het bestuur tot de ledenraad kan worden vergeleken met die van de regering tot de volksvertegenwoordiging.
Dat maakt dat de associatie met stemmen ‘zonder last of ruggespraak’ snel is gelegd. Strikt genomen krijgen de ledenraadsleden inderdaad geen ‘last’ van hun leden mee, maar het is natuurlijk wel de bedoeling van het wettelijk systeem dat ze ‘ruggespraak’ houden met de leden van hun ring en deze vertegenwoordigen. Dat blijkt uit de hele opzet en de toelichtingen.

De ledenraad vormt een representatieve vertegenwoordiging van de leden en hij moet derhalve op democratische wijze zijn vastgesteld. De ledenraad moet via de ringbesturen alle leden van de broederschap in de gelegenheid hebben gesteld om hun gevoelens over concept-verordeningen kenbaar te maken. Een verordening kan immers diep ingrijpen in het functioneren van de organisatie en de werkzaamheid van haar leden. De wet op het notarisambt schrijft zelfs voor dat de conceptverordeningen twee maanden tevoren ter kennis worden gebracht van alle leden.  ‘Op deze wijze wordt een democratische uitoefening van de verordenende bevoegdheid van de ledenraad gewaarborgd en wordt tevens de betrokkenheid van de individuele leden bij dit proces gestimuleerd.’ Aldus de toelichting.

De ring kan dus aan zijn ledenraadslid meegeven op een bepaalde manier te stemmen. In het uiterste geval kan een ringvergadering een ledenraadslid ontslaan, als zij het vertrouwen in de wijze van taakvervulling heeft verloren. (art. 74 Wna)

Bij de advocaten is die wettelijke regeling van raadpleging van de leden bij een verordening er niet.
Zij hebben wel een zogenaamde motie Wildeboer-Roelvink aangenomen – 28 november 1975 – , die een vergelijkbare raadpleging van de leden in de arrondissementen voorschrijft.

In de praktijk komt hier niet veel van terecht, vrees ik, en dat zal er niet beter op worden als de arrondissementen samengaan tot 10. De plaatselijke vergaderingen worden slecht bezocht en oproepen om per email te reageren leveren meestal niet veel reacties op.

Soms lopen de gemoederen wel heel hoog op en komen er wel veel leden naar de plaatselijke vergaderingen.
Onlangs werden de plaatselijke ringvergaderingen heel goed bezocht door het notariaat, toen aan de orde was of het bestuur van de KNB zou moeten worden vervangen. Ook is toen veel gecommuniceerd via de sociale media. Een grote meerderheid was voor het wegstemmen van het bestuur. Hoewel, als men hoort hoe de stemmingen verliepen, moet men vaststellen dat er ook heel emotioneel werd gestemd. In Haarlem bijvoorbeeld was de keuze tussen: Ben je voor integriteit of niet? Vóór integriteit betekende: het bestuur moet weg.
In de daarop volgende ledenraad hadden sommige ledenraadsleden het moeilijk. Die wilden zelf wel dat het bestuur bleef, maar hadden van hun ring opdracht het weg te stemmen. Sommigen stemden overeenkomstig hun eigen mening, anderen overeenkomstig de uitkomst in de ring.
Enfin, de uitkomst was dat het bestuur is weggestemd.
Bij de daarop volgende plaatselijke vergaderingen ter voorbereiding van de benoeming van een nieuw bestuur, kwamen vervolgens weer nauwelijks notarissen opdagen. Ook dat is weer wel begrijpelijk, want tegenkandidaten waren er toch ook niet.

Rechtsbescherming

Ten slotte noem ik, hoewel natuurlijk vanzelfsprekend: rechtsbescherming. Besluiten van de organen van de PBO met rechtsgevolg, zijn Awbabel. En vooral advocaten schudden natuurlijk zo een bezwaarschriftje uit hun mouw. Notarissen gaan bijna nooit in bezwaar en beroep. Het was voor ons echt schrikken toen vorig jaar zo’n twintig notarissen bezwaar maakten tegen de factuur voor de bijdrage aan de KNB, althans het onderdeel van de verplichte collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering. De zaak ligt nu bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.
Ook is hier van belang dat de organisatie respect heeft voor de leden. Dat schrijft Nationaal Ombudsman Brenninkmeijer elke keer in zijn verslag: toon als overheid respect!

Het is duidelijk wat er gebeurt als dit propellerblad te weinig aandacht krijgt. De leden komen in opstand.

Ook in de gewone politiek worstelt men hiermee. De huidige voorzitter van de Tweede Kamer, Gerdi Verbeet, heeft onlangs een boek geschreven: Vertrouwen is goed, maar begrijpen is beter; Over de vitaliteit van onze parlementaire democratie. Ze interviewt daarin tal van inspirerende mensen, onder wie Saskia Stuiveling, de president van de Algemene Rekenkamer.
Aan Gerdi Verbeet zegt zij:
‘Je ziet dat alle instituties de neiging hebben om de bevolking nog een keer goed uit te leggen hoe het eigenlijk zit. In plaats van te denken: hé bevolking! Zien jullie me nog wel staan? Ai! Misschien moet ik even denken waarmee ik bezig ben en hoe ik het doe.’
Dat vind ik een inspirerende aansporing!

Ik dank u voor uw aandacht.