Samenvattingen
De preadviezen voor 2013, met de titel “Immuniteiten: het recht opzijgezet?” zijn inmiddels verschenen. Onderstaand treft u een korte samenvatting aan.
Samenvatting preadvies Prof. mr N.J. Schrijver
In de afgelopen jaren worden met een zekere regelmaat ook de gedragingen van internationale organisaties beoordeeld met de vraag of de eigen praktijk overeenstemt met waartoe zij hun lidstaten oproepen. Vermeende schendingen van mensenrechten door internationale organisaties worden steeds vaker aan de kaak gesteld, maar lopen dikwijls vast op de immuniteit van internationale organisaties. Dit preadvies behandelt in het bijzonder de immuniteit van de VN. De VN is een bijzondere internationale organisatie, door haar brede takenpakket, unieke verantwoordelijkheden op het gebied van vrede en veiligheid en vrijwel universele lidmaatschap. Om die reden geniet de VN vanouds absolute immuniteit en vergaande beperkingen van haar aansprakelijkheid. Ook in de afgelopen jaren is gebleken dat de mogelijke onrechtmatigheid van het gedrag van de VN, het nagenoeg ontbreken van alternatieve rechtswegen en het mensenrecht op toegang tot de rechter, vooralsnog geen afbreuk doen aan die immuniteit. Wel komt in verschillende zaken naar voren dat de immuniteit van de VN botst met fundamentele mensenrechten, nu voor slachtoffers vaak geen andere rechtswegen open staan om rechtsherstel te zoeken. Een voorbeeld is de zaak van de Moeders van Srebrenica tegen de VN en de Nederlandse Staat. Rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad oordeelden alle dat immuniteit moet worden verleend aan de VN.
Omwille van de rechten van slachtoffers, het respect voor mensenrechten en het behoud van geloofwaardigheid van de VN, is het noodzakelijk alternatieve rechtswegen te ontwikkelen voor de afwikkeling van claims tegen de VN. Uitgangspunt dient enerzijds te zijn het behoud van de onafhankelijkheid en de beoordelingsvrijheid van de VN, die noodzakelijk zijn voor een doelmatig kunnen functioneren. Anderzijds dient inachtneming van hedendaagse normen voor toegang tot de rechter, behoorlijke procesgang en rechtsherstel uitgangspunt te zijn. Alternatieve opties voor de behandeling en afwikkeling van claims tegen de VN zijn: het in bepaalde gevallen beperken van de immuniteit van de VN; de lidstaten verantwoordelijk houden; het instellen van een onafhankelijke klachtencommissie en/of een Ombudspersoon; het uitbreiden van de bevoegdheid van het administratief tribunaal van de VN of het creëren van een nieuw tribunaal.
De VN wordt aanbevolen regelingen te treffen voor passende wijzen van beslechting van geschillen van privaatrechtelijke aard, duidelijkheid te verschaffen over toepasselijke regels met betrekking tot de immuniteit en aansprakelijkheid van de VN, de model-overeenkomst voor vredesoperaties aan te passen en te voorzien in een vaste klachtencommissie, eneen Ombudspersoon in te stellen. Overeenkomstig haar grondwettelijke opdracht de internationale rechtsorde te bevorderen wordt de Nederlandse regering opgeroepen om in het forum van de VN initiatieven op dit terrein te ontplooien.
Samenvatting preadvies prof. mr. A.J. Verheij
In het kader van dit preadvies worden als immuniteiten opgevat alle gevallen waarin wordt afgeweken van de gewone regels van aansprakelijkheid en schadevergoeding (art. 6:74 BW, art. 6:162 BW, de daarop volgende risicoaansprakelijkheden en afd. 6.1.10). Daarvan is niet alleen sprake wanneer een partij in het geheel niet aansprakelijk gehouden kan worden, maar ook wanneer slechts aansprakelijkheid tot een bepaald plafond bestaat, wanneer de drempel voor aansprakelijkheid hoger ligt dan gewoonlijk (geen gewone onzorgvuldigheid maar grove schuld bijvoorbeeld) en wanneer bepaalde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat in deze laatste drie gevallen geen sprake is van volledige immuniteit, lijkt geen principieel verschil maar slechts een kwestie van gradatie te zijn. In dit preadvies worden dus vier categorieën immuniteiten onderscheiden en per categorie worden voorbeelden besproken waarbij het accent ligt op de redenen voor invoering die in de parlementaire geschiedenis zijn te vinden.
Centraal in dit preadvies staat de vraag of er voldoende rechtvaardiging bestaat voor de behandelde immuniteiten en zo nee, langs welke lijnen het recht zich verder dient te ontwikkelen.
Deze vraag wordt beantwoord door kritische weging van de voor de immuniteiten aangevoerde argumenten. Daarbij worden verschillende perspectieven gehanteerd: een rechtseconomisch, een sociaalpsychologisch en een juridisch. De conclusie is dat vooral de wetgever het beter zou kunnen doen. Uitzonderingen op de gewone regels zijn doorgaans pover onderbouwd. Voor de door immuniteiten veroorzaakte rechtsongelijkheid bestaat zelden een goede rechtvaardiging. De schrijver komt ten slotte tot een aantal concrete aanbevelingen voor wetgever en rechter om tot meer rechtsgelijkheid te komen. Wat de wetgever betreft wordt betoogd dat meer aandacht dient te bestaan voor empirische onderbouwing van veronderstellingen, voor evaluatie van beleidsdoelstellingen en voor (mensenrechtelijke) beginselen. Wat de rechter betreft, wordt betoogd dat de Hoge Raad de speelruimte die hij heeft in het kader van zijn rechtsvormende taak meer kan benutten door meer gewicht toe te kennen aan bepaalde op zich bekende gezichtspunten (de aard van de gedraging (mate van verwijtbaarheid), de hoedanigheid van partijen, de aard en de ernst van de schade en mensenrechten) en door in voorkomende gevallen algemene(re) richtlijnen te formuleren (door indexering van wettelijke limieten en ter bepaling van de hoogte van smartengeld).
Samenvatting preadvies Prof. mr dr E. van Sliedregt
De vuurwerkramp in Enschede, de cafébrand in Volendam en de Schipholbrand: bij rampen en milieuschandalen van nationale omvang staat de aansprakelijkheid van de overheid ter discussie. Op basis van het Volkel-arrest[1] komt de Staat echter volledige strafrechtelijke immuniteit toe en op grond van Pikmeer II[2] geniet de decentrale overheid immuniteit als er sprake is van een handeling ter uitvoering van een exclusieve overheidstaak.
Centraal in dit preadvies staat de vraag of strafrechtelijke immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen, in het bijzonder de Staat, nog houdbaar is. Rechtvaardigt de bijzondere positie van de Staat een categorische uitsluiting van vervolgbaarheid van de Staat? Een onderscheid wordt gemaakt tussen immuniteit van jurisdictie en onschendbaarheid. In het eerste geval geniet de Staat immuniteit voor de strafprocedure in het tweede geval is de Staat gevrijwaard van uitoefening van staatsmacht in het kader van de strafexecutie.
Aan de hand van een analyse van Straatsburgse rechtspraak en het internationaal-strafrechtelijke debat over immuniteit werpt dit preadvies nieuw licht op de immuniteitsdiscussie in het strafrecht. Daarbij wordt enerzijds het belang van het opheffen van immuniteit van publiekrechtelijke rechtspersonen onderstreept en anderzijds de argumenten die pleiten voor het volledig opheffen van immuniteit van de Staat genuanceerd.
De schrijver concludeert dat de Staat immuniteit van jurisdictie dient te worden ontzegd. Daar staat tegenover dat onschendbaarheid niet aan de Staat kan worden ontzegd. De Staat komt een uitzonderingspositie toe op het punt van de strafexecutie en wel vanwege het geweldsmonopolie. De tenuitvoerlegging van straffen is een uniek instrument van de Staat. Juist in het strafrecht, vanwege het geweldsmonopolie, is strafvervolging van de Staat vicieus. Schuldigverklaring zonder strafoplegging is het hoogst haalbare bij een strafrechtelijk schuldige Staat.
[1] HR 25 januari 1994, NJ 1994, 598, m.nt. Corstens.
[2] HR 6 januari 1998, NJ 1998, 367, m. nt JdH.
Samenvatting preadvies prof. mr. R.J.B. Schutgens
Wereldwijd kent haast iedere constitutie een vorm van parlementaire immuniteit. In Nederland behelst deze, dat deelnemers aan de parlementaire vergadering niet in rechte kunnen worden vervolgd of aangesproken voor wat zij in het parlement naar voren brengen. Veel landen om ons heen kennen bovendien de parlementaire onschendbaarheid, die volksvertegenwoordigers immuniseert tegen strafrechtelijke vervolging voor handelen buiten hun functie. Dit preadvies onderwerpt beide vormen van parlementaire immuniteit aan een beschouwing. De immuniteit naar Nederlands staatsrecht krijgt daarbij de nadruk.
Deel één onderzoekt de parlementaire immuniteit naar nationaal recht, haar (afwezige) betekenis bij het Internationaal Strafhof en de grenzen die art. 6 EVRM stelt aan de toekenning van parlementaire immuniteit, die immers een inbreuk vormt op de toegang tot de rechter. Uit de Straatsburgse jurisprudentie blijkt dat de Nederlandse parlementaire immuniteit door de beugel van het EVRM kan; toekenning van onschendbaarheid voor buitenparlementair handelen zou echter een risico scheppen op Straatsburgse veroordelingen.
Deel twee gaat over de doelen van de parlementaire immuniteit: de waarborging van het parlement als een vrijplaats voor een onbevreesd debat; de bescherming van parlementariërs tegen te vergaande rechterlijke bemoeizucht; het voorkómen, dat de rechter wordt meegesleept in partijpolitieke ruzies en de bescherming van parlementariërs tegen de vervolgingsmacht van de executieve. Deze doelen lijken ook in een moderne rechtsstaat met een onafhankelijke rechterlijke macht nog zinvol.
Het derde deel neemt enkele voorstellen tot uitbreiding van de parlementaire immuniteit onder de loep. Het voorstel om ook buitenparlementaire uitlatingen van volksvertegenwoordigers te beschermen wordt voorzichtig verworpen, voornamelijk omdat het buiten het parlement een vorm van ongelijke behandeling tussen parlementariërs en andere discussianten zou creëren. Wel wordt bepleit dat de immuniteit parlementariërs ook moet beschermen tegen private ‘sancties’ vanwege hun parlementaire uitlatingen.
Deel vier beschouwt en verwerpt enkele recente voorstellen om haatzaaiende of anderszins onwenselijke uitlatingen binnen het parlement van de immuniteit uit te zonderen. Dergelijke, op materiële gronden gebaseerde uitzonderingen zouden het doel van de immuniteit in ernstige mate ondergraven: het is de rechter zelf, die op inhoudelijke gronden zou moeten beoordelen of de immuniteit in een bepaald geval toepasselijk is. De immuniteit strekt er in de kern nu juist toe, de rechter ‘buiten de deur te houden’. Vooralsnog kan beter vertrouwd worden op het corrigerend vermogen van het parlement zelf, wiens voorzitter bij uitstek is aangewezen om het aanzien van het parlement te bewaken door streng in te grijpen als het debat een haatzaaiende of anderszins onparlementaire wending neemt.
In het vijfde deel wordt betoogd, dat de Staat op basis van het beginsel van égalité devant les charges publiques aansprakelijk zou moeten zijn als uitlatingen het parlementaire debat schade toebrengen aan een particulier. Dit zou de diepe inbreuk die de immuniteit maakt op art. 6 EVRM, enigszins kunnen verzachten.