Introductie

De initiële en postinitiële juridische opleidingen

Inleiding

In 1972 was "De juridische opleiding" onderwerp van de jaarvergadering van de NJV . Sindsdien hebben zich binnen en buiten de universiteit grote veranderingen voorgedaan die voor de juridische opleiding(en) van belang zijn. Men denke onder meer aan de grote toename van het aantal studenten, de verkorting van de studieduur, de invoering van de bachelor/masterstructuur en het bindend studieadvies, de opkomst van University Colleges, de opkomst van al dan niet verplichte postinitiële beroepsopleidingen en specialisatieopleidingen, de permanente educatie, de afschaffing van de basisbeurs en de invoering van het leenstelsel, de veranderingen die zich binnen de juridische beroepen (inclusief de vormgeving van de samenwerking(maatschap, maatschap van beroepsvennootschappen, NV)) hebben voorgedaan, de internationalisering, de opkomst van HBO-opleidingen recht, de ontkoppeling van het behalen van de meestertitel en het civiel effect, etc.
De juridische opleidingen van de respectieve universiteiten zijn in deze jaren minder uniform geworden, in de bachelorfase, maar zeker in de masterfase. De opleidingen zijn zich ook minder (exclusief) op de togaberoepen gaan richten. Enkele kennen een zogenaamd ‘multidisciplinair’ curriculum, waarin de rechtsgeleerdheid wordt gecombineerd met disciplines als economie en bestuurskunde. Het gevolg is dat niet alleen de studenteninstroom in de propedeuse heel divers is, maar dat dit beeld zich opnieuw voordoet bij de masterinstroom en bij de instroom in de rechtspraktijk en de beroepsopleidingen.
De preadviezen uit 1972 betroffen slechts de initiële juridische opleidingen. In de huidige tijd kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de juridische opleidingen veel meer omvatten dan de initiële opleidingen.

Verhouding bacheloropleiding/masteropleiding/postinitiële opleiding/specialisatieopleiding

Rond 1970 zijn de juridische opleidingen teruggebracht tot vier jaren, althans op papier. In het afgelopen decennium heeft de overheid steeds meer nadruk gelegd op studierendement. Universiteiten zetten diverse instrumenten in om een hoger rendement te bereiken. Het gevolg daarvan is dat ook de feitelijke studieduur intussen aanzienlijk korter is geworden. In een tijdbestek van vier jaren zijn een alomvattende opleiding en vorming van de student onmogelijk. Het belang van postinitiële opleiding en vorming is in de afgelopen decennia in toenemende mate erkend. De vraag welk deel van de opleiding en vorming in de initiële fase en welk deel in de postinitiële fase moet worden verzorgd ligt dan ook voor.