Inhoud preadviezen 2017 – Strafrecht

Afscheid van de klassieke strafrechtelijke procedure?

Jan Crijns en Renée Kool

Aanleiding

Waar het strafprocesrecht in een ver verleden uitging van de procesverplichting – inhoudende dat berechting de enige weg was waarlangs het strafrecht zich kon verwezenlijken – is dat anno 2016 al lang niet meer het geval. De consensuele vormen van buitengerechtelijke afdoening zoals de transactie en het voorwaardelijk sepot – gebaseerd op wilsovereenstemming tussen Openbaar Ministerie en de verdachte – kennen we al sinds jaar en dag. Met behulp hiervan worden grote groepen (met name relatief lichte, eenvoudig vast te stellen) strafbare feiten buiten de rechter om afgedaan. Sinds de introductie van de strafbeschikking in 2006 is deze ontwikkeling een nieuwe fase ingegaan, nu daarmee niet langer sprake is van het ‘afkopen’ van het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie door de verdachte, maar van het daadwerkelijk eenzijdig vaststellen van schuld aan enig strafbaar feit en het opleggen van de daarbij behorende straf door het Openbaar Ministerie. Niet alleen worden strafzaken als gevolg hiervan op nog grotere schaal dan voorheen buiten de rechter om afgedaan (vgl. in dit verband ook de opkomst van de ZSM-praktijk), ook heeft dit geleid tot een herpositionering binnen het strafrechtelijk speelveld: de positie van het Openbaar Ministerie als spelverdeler is versterkt en de afstand tot de rechter voor de verdachte is vergroot. De verdachte dient meer moeite dan voorheen te doen om zijn recht op een beoordeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter te effecturen, terwijl de rechter zijn exclusieve positie als orgaan dat beschikt over schuld en straf voortaan moet delen met de leden van het Openbaar Ministerie.

Daarnaast heeft zich de laatste decennia een tweede ontwikkeling voorgedaan in de vorm van de opkomst van vormen van herstelbemiddeling in plaats van of ter aanvulling op de klassieke strafrechtelijke procedure. Deze ontwikkeling is met name ingegeven door de politieke en maatschappelijke wens het slachtoffer nadrukkelijker een eigen en steviger plek te geven binnen de context van de strafrechtspleging. Tegelijkertijd kent het klassieke strafproces zijn beperkingen waar het gaat om de mogelijkheden tot het inspelen op de behoeften van het slachtoffer, zowel in materiële als immateriële zin. Langs de weg van herstelbemiddeling tussen slachtoffer en verdachte kan – wellicht beter dan binnen de context van het klassieke strafproces – tegemoet worden gekomen aan de behoefte van het slachtoffer aan vergoeding van de geleden schade, herstel van de relatie tussen slachtoffer en verdachte, betrokkenheid bij de afdoening van het strafbare feit en/of genoegdoening in brede zin. Weliswaar hebben de verschillende vormen van herstelbemiddeling – anders dan binnen andere rechtsgebieden en anders dan binnen buitenlandse strafrechtstelsels – tot op heden nog geen hoge vlucht genomen binnen de Nederlandse strafrechtspleging, zij staan wel al een aantal jaar nadrukkelijk op de politieke en justitiële agenda, terwijl ook de Europese Unie de lidstaten herhaaldelijk heeft voorgehouden werk te maken van vormen van herstelbemiddeling binnen de context van het strafrecht.

Probleemstelling

Beide ontwikkelingen hebben met elkaar gemeen dat de klassieke rechterlijke procedure wordt vervangen of in ieder geval op afstand  wordt geplaatst. Dit betekent echter niet dat zij zonder meer in elkaars verlengde zouden liggen. Zo verschillen zij in ieder geval van elkaar voor wat betreft hun raison d’être en de betrokken procesdeelnemers. De verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening staan in het teken van het streven naar een efficiënte inzet van schaarse middelen en speelt zich primair af in de verhouding tussen Openbaar Ministerie en verdachte, met het slachtoffer en de rechter op enige afstand als ‘belanghebbenden’. De verschillende mogelijkheden van herstelbemiddeling worden daarentegen ingegeven door de emancipatie van de positie van het slachtoffer en richten zich vooral op de verhouding tussen verdachte en slachtoffer, met het Openbaar Ministerie en de rechter op enige afstand als ‘belanghebbenden’ bij de uitkomst van het proces van herstelbemiddeling. Er is dan ook ogenschijnlijk geen eenduidige noemer die beide vormen van afdoening buiten de klassieke rechterlijke procedure om verbinden, maar ze delen wel een gemeenschappelijk kenmerk: voor beide vormen is sprake van het op afstand zetten van de strafrechter. Ook roepen beide ontwikkelingen vragen op met betrekking tot de individuele rechtsbescherming van de verdachte. Waar de inrichting van de klassieke rechterlijke procedure een resultaat is van een doordachte en evenwichtige afweging van de belangen van enerzijds effectieve en efficiënte rechtshandhaving en anderzijds bescherming van de individuele verdachte tegen de uitoefening van het strafvorderlijk gezag, is niet zonder meer gezegd dat binnen de genoemde alternatieve vormen van afdoening eveneens sprake is van een dergelijke zorgvuldige en evenwichtige balans tussen de verschillende betrokken belangen. Voorts rijst de vraag hoe beide ontwikkelingen zich verhouden tot de stijgende maatschappelijke behoefte aan strafrechtelijke rechtshandhaving. In de veiligheidscultuur van de afgelopen jaren wordt het strafrecht niet langer beschouwd als ultimum remedium, maar veeleer als het middel bij uitstek voor de adressering van veiligheidsvraagstukken. Het is de vraag hoe de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening binnen deze ontwikkeling kunnen worden geplaatst, nu de klassieke gerechtelijke procedure vanuit het perspectief van punitiviteit nog steeds de meest uitgebreide mogelijkheden biedt, waaronder niet in de laatste plaats de mogelijkheid tot het opleggen van een gevangenisstraf.

Vraagstelling

Het is weinig waarschijnlijk dat we ooit weer terug zullen gaan naar een tijd waarin de klassieke rechterlijke procedure het procesmodel bij uitstek is voor de afdoening van strafzaken (zo dit ooit al het geval is geweest). De ingeslagen weg van differentiatie in verschillende strafvorderlijke modaliteiten zal ongetwijfeld ook in de toekomst worden gevolgd. In dit preadvies zal de vraag worden beantwoord hoe de verschillende vormen van strafrechtelijke afdoening buiten de rechter om, rechtstheoretisch moeten worden geduid. Daarnaast wordt onderzocht op welke wijze en binnen welke voorwaarden de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening op legitieme en consistente wijze kunnen worden ingepast binnen de strafrechtspleging als geheel, waarbij recht wordt gedaan aan alle betrokken belangen (te weten die van de samenleving, verdachten, slachtoffers en justitiële autoriteiten). Deze vragen impliceren mede beantwoording van de vraag in welke gevallen de klassieke rechterlijke procedure onmisbaar is en in welke gevallen er dus geen plaats is voor vormen van buitengerechtelijke afdoening.