Jaarrede voorzitter mr. Y. Buruma

‘Rapport morale’ 

mr. Y. Buruma, 13 juni 2014  

Vandaag spreken wij over crises en recht. Daarom rees bij mij even de vraag of een crisis in de rechtstaat dreigt.  Welnu, dat geloof ik niet. Toen ik de afgelopen maand zag hoe de publieke discussie plaatsvond over de voorwaardelijke invrijheidstelling van Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn, vond ik het opvallend dat ook mensen die hier ernstige moeite mee hadden de waarden van de rechtsstaat benadrukten. En – met een wat objectievere maatstaf – geeft de 5e plaats van Nederland op de “Rule of Law Index” waarop 99 landen worden getoetst op hun rechtsstatelijkheid  ook geen reden tot zorg. Bovendien had eind 2013 volgens het Continu Onderzoek Burgerperspectieven circa 63% van de Nederlandse bevolking vertrouwen in de rechters.

Niets aan de hand dus? Nee, niets. Behalve die merkwaardige breed voorkomende neiging om te denken dat er een vertrouwenscrisis is. Dat is een gevaarlijke neiging die ertoe leidt dat men zich gaat verdedigen tegen kritiek. Toen ik net in de Hoge Raad kwam vond ik het ambacht moeilijk – ik maakte fouten. Dat had niets te maken met mijn kennis van het recht, mijn inzicht of zelfs de vraag of de huidige stijl van de Hoge Raad de meest wenselijke is. Binnen een bepaald kader zijn dingen goed of fout; binnen datzelfde kader zijn er ook kwesties  waarover je van mening kunt verschillen. Dankzij de kritiek, leerde ik van mijn fouten; de verschillen van mening leidden tot een gezamenlijk voortschrijdend inzicht. Wat mij nu zorgen baart is dat deze evidentie niet meer vanzelf spreekt. Het lijkt wel of de organen van de rechtsstaat zo bezig zijn te proberen kritiek voor te zijn en zichzelf te verdedigen tegen een mogelijke vertrouwenscrisis dat ze vergeten dat het recht uiteindelijk niet gaat om het wel en wee van instituties maar om de juiste behandeling van zaken. Ik ben strafjurist – dat is dus het terrein waar sommigen van denken dat de rechter niet zozeer de onafhankelijke en onpartijdige beoordelaar van feiten en van het recht is,  maar een schakel in de handhavingsketen.  Voor die mensen is een advocaat een outsider en degene die terecht staat niet een subject – een mens met twee ogen en een neus  en een burger met de hem toekomende rechten – maar niet meer dan een voorwerp van onderzoek.  Het beeld van de handhavingsketen voedt – misschien tegen de verwachting die het beeld van een keten oproept in – die institutionele preoc­cupaties van  politie, OM en rechtspraak waar ik het vandaag over wil hebben.

                                                           ***

Als ik spreek van institutionele preoccupaties, doe ik dat in het licht van het onderscheid dat Nobelprijs­winnaar  Amartya Sen maakt in zijn TheIdea of Justice. Het is een klassiek onderscheid in de Indiase jurisprudentie dat hij uitlegt aan de hand van een tweegesprek in de Bhagavatgita. Het gesprek vindt plaats tussen de onover­winnelijke prins  Arjuna die aarzelt of hij de strijd moet aangaan omdat daardoor zoveel bloed zal  vloeien en  zijn goddelijke adviseur, de wagenmenner Krishna, die hem aanmaant zijn plicht te doen om zijn rechtvaardige strijd  te strijden.  Het verhaal kent duizenden interpretaties, maar Sen legt het op een onorthodoxe manier uit doordat hij blijk geeft van grote sympathie voor de twijfels van Arjuna. Dat levert een juridisch en rechtsfilosofisch vruchtbaar perspectief op. Krishna zegt dat we ons in ons handelen moeten laten leiden door wat moet, maar Arjuna aarzelt met het oog op de gevolgen daarvan. Welnu, de jurist die nadenkt over een geschil, een aanspraak of een misdrijf doet dat teneinde tot een goed oordeel te komen door procedurele en institutionele regels te volgen. Die regels geven uiting aan diepgewortelde waarden, zijn de uitkomst van democratische belangen­afweging of de vrucht van ervaringen van de desbetreffende instituties. Maar net als Arjuna moet de jurist de ogen niet sluiten voor wat er in de loop van die procedure gebeurt, wat de gevolgen daarvan zijn en hij realiseert zich de betekenis van zijn eigen, persoonlijke aandeel in dat oordeel.

De wagenmenner wijst op institutionele en procedurele verplichtingen ; de vorst op het redelijk oordeel in de individuele zaak. Die tegenstelling is misschien ongebruikelijk omdat de wagenmenner dus zowel staat voor de bureaucraat voor wie efficiency en protocol alles zijn als voor de ge-engageerde advocaat die elke overtreding van een vormvoorschrift definitief wil afstraffen. Beiden staan voor een nieuwe vorm van formalisme – een waarbij het niet meer gaat om de Begriffs­jurisprudenz van lang geleden, maar om richtlijnen en protocollen of om vormvoorschriften en maximaal uitgelegde waarden. De wagenmenners doen hun plicht en beslissen met een ‘gesloten onpartijdigheid’ wat de logische uitkomst van hun regels is. De vorst houdt zich het liefst aan de plichten waar zijn goddelijke wagenmenner op wijst, maar houdt er toch een ‘open onpartijdigheid’ op na. Hij verbindt er consequenties aan als een onpartijdige toeschouwer de ogenschijnlijk noodzakelijke uitkomst van de voorgelegde kwestie onverteerbaar zou vinden.

                                                           ***

Is het nog wel zo dat in ons rechtsstelsel barre consequenties onder ogen worden gezien of wordt het gehele rechtsbedrijf inmiddels georganiseerd rond institutionele verplichtingen? Het traditionele stelsel van checks and balances tussen overheidsorganen – waarbij politie en OM de zaak aanbrengen en de rechter beslist – lijkt inmiddels aan praktisch belang te hebben ingeboet, en plaats te hebben gemaakt voor een stelsel waarin de instituties vooral worden beoordeeld op interne regelgeving en interne controle. Niet de uitkomst van de zaak maar de vraag of men zich aan de voorschriften van de eigen organisatie heeft gehouden is  bepalend. Ik geef een paar voorbeelden. In de eerste plaats de politie.

Volgens een rapport van de Politieonderwijsraad uit 2011 doet de politie in doorsnee zaken  door gebrek aan juridische kennis en inzicht onvolledig onderzoek en geeft zij onvoldoende de redenen van wetenschap in de processen-verbaal. Begeleiding van jonge agenten bij het schrijven van verbalen door iemand met een rood potlood ontbreekt. De prijs hiervan is dat de rechter soms het bewijs niet aangeleverd krijgt om een evidente dader te veroordelen. Dan ontbreekt bijvoorbeeld elk gegeven waaruit opzet of de voor medeplegen noodzakelijke bewuste nauwe samenwerking is af te leiden. Dat de processen-verbaal – zoals de politie dus zelf onderkent – zo vaak tekort schieten, is des te schrijnender als we in ander onderzoek lezen dat voor de politie administratieve werkzaamheden inzake prestatie­verantwoording, reiskosten, beleidsvorming  en andere organisatiegerichte wenselijkheden minstens zoveel tijd en ergernis kosten als het papierwerk met het oog op de strafzaak.  Een ander voorbeeld van organisatorische bijziendheid wordt gevormd door de moeilijkheden om de politie te bewegen de dossiers enigszins gestandaardiseerd vorm te geven.

De nadruk op de interne voorschriften bij de politie komt ook bij zwaardere zaken naar voren. Die rechercheurs beschikken doorgaans wel over benodigde juridische kennis, maar zij worden overspoeld met protocollen over PD-management (het optreden op de plaats delict), verhoorplannen, tegenspraak  en dergelijke. Ik wil de baten daarvan niet kapot relativeren, maar schrok toch toen ik in het goed ontvangen boek Sturen op vertrouwen van de Zeeuwse politieman Jaco van Hoorn las dat evaluaties vooral worden beoordeeld aan de hand van de vraag of de vastgestelde werkwijzen correct zijn nageleefd. Als het goed is gegaan zijn de protocollen nagelopen; is resultaat uitgebleven, maar zijn de protocollen nageleefd is dat een soort pech. Van Hoorn benadrukt het belang in echte zaken van inschattingsvermogen en improvisatietalent van de individuele agent die wil dat de boef uiteindelijk achter de tralies komt.

Dan het Openbaar Ministerie. We moeten het onder ogen zien, maar veel van het werk van het Openbaar Ministerie is nauwelijks op de rechter georiënteerd.  Inmiddels stroomt het grootste deel van de veel voorkomende criminaliteit binnen op de gezamenlijke “ZSM”-tafel van OM, politie, reclassering, kinderbescherming en slachtofferhulp. Daar wordt beslist over OM-straffen en sepots. Eenvoudige zaken worden in beslissende mate voorbereid door administratief juridische medewerkers en parket­mede­werkers aan de hand van Bos-Polaris en andere aanwijzingen en richtlijnen. Gecompliceerdere zaken leiden tot een AU-dagvaarding (aanhouden en uitreiken) of tot doorzending aan een veiligheidshuis waar ook het openbaar bestuur en zorgverleners aanschuiven. Het OM is trots op de nieuwe aanpak vanwege de snelheid maar ook omdat het nu beter dan voorheen mogelijk zou zijn soms ook in dit soort zaken maatwerk te leveren. Feitelijk – ik heb het niet over de juridische verantwoor­delijkheid – feitelijk  is het vanwege de aantallen moeilijk voorstelbaar dat de officier van justitie steeds per geval beslist. Is dat erg? Zeker niet – het is realistisch om te denken dat niet alle strafzaken de expertise en de kosten van gekwalificeerde juristen behoeven. Maar het is dan even realistisch om niet verkrampt vast te houden aan het idee dat dus alle beslissingen juist zijn. De vooroorlogse wereld waarin 115 functionarissen het OM vormden (1938),  is een andere dan die van nu met meer dan 5000 OM-ers. In die veel grotere organisatie is het vanuit het adagium ‘more for less’ logisch dat in de simpele zaken ook minder gekwalificeerde mensen aan de hand van interne aanwijzingen bepalen wat er moet gebeuren, maar is het even logisch dat er wel echte checks moeten zijn. Daarom zou de rechter juist vanwege de pad-afhankelijkheid van justitiële beslissingen (wat de agent of de parketsecretaris invult, bepaalt in belangrijke mate het uiteindelijke frame) daaraan niet gebonden moeten zijn.  

De interne oriëntatie  maakt een organisatie als het OM ook in zwaardere zaken kwetsbaar voor fouten.  Omdat officieren zich organisatorisch laten afschermen komt input van buiten niet meer door. Advocaten die evidente misslagen willen herstellen – bijvoorbeeld omdat relevante stukken in dossiers ontbreken –  of eenvoudige telefonische of schriftelijke verzoeken hebben kunnen met geen mogelijkheid iemand bereiken die het dossier kent.  Bij de zaken die voor de rechter komen zien we niet alleen nog steeds vreemde vervolgings­beslissingen, maar ook ongelukkige tenlasteleggingen, dagvaardingen die naar kenbaar verkeerde adressen zijn verstuurd, missers bij het zoeken naar getuigen enz.. Het resultaat is ergernis, aanhouding en uitstel van zaken en soms – maar daar kom ik nog op – niet voldoende verantwoorde uitspraken.

Ook de rechtspraak is steeds meer een activiteit van een organisatie. De zorgen over achterstanden, doorlooptijden en aanhoudings­percentages zijn bekend evenals de niet aflatende discussies over de vraag wie daaraan wat moet doen. Dat heeft tot gevolg dat de rechter soms minder gericht is op transparantie en juridisch redeneren dan op afwerken. Bijna alle hoven aanvaarden inmiddels dat rechtbanken hun vonnissen soms niet uitwerken omdat daar geen betaling tegenover staat: dat is weliswaar onder omstandigheden strijdig met de wet, maar een Hof kan ook wel zonder het uitgewerkte (stempel)vonnis recht spreken. Moet de Hoge Raad het dan beter weten (ECLI:NL:HR:2014:1179)? Sinds de invoering van art. 80a RO zijn er zo meer formele regels gerelativeerd omdat de verdachte door schending daarvan niet in een redelijk belang  wordt getroffen. Deze organisatorische belangen moeten echter niet ten koste gaan van de inhoudelijke kwaliteit van beslissingen:  terecht wordt inmiddels gedebatteerd over het gemak waarmee  voorlopige hechtenis wordt opgelegd; wij zien in cassatie dat beklagzaken tegen inbeslag­neming vaak fout gaan op punten waarbij de vraag rijst of er wel genoeg aandacht aan is besteed; verrassend zijn ook over strafmaatoverwegingen waarin wordt verwezen naar een onherroepelijke veroordeling die er blijkens de justitiële documentatie niet is – ik hoorde dat die verwijzingen het gevolg waren van een bepaalde instelling van de computer.

Een belangrijke kwestie is de vraag hoe rechters moeten omgaan met zaken waarin het in het voortraject van politie en OM al mis ging . In hoeverre moet hij optreden als check and balance. Ik wees al op gevallen waarin de rechter waarneemt dat de processen-verbaal te weinig bewijsmateriaal bevatten en het probleem van de ongelukkige tenlasteleggingen en dergelijke. Rechters moeten geregeld  bewijs van bijvoorbeeld opzet afleiden uit feitelijke omstandigheden (bijv. opzet benodigd voor poging tot doodslag afleiden uit schoppen met geschoeide voet tegen hoofd). Waarom zouden ze dat dan ook niet doen ter compensatie van een dossier waarin niet blijkt dat de vraag is gesteld of meneer wist dat dit gevaarlijk was. Dat een rechter dus soms een zaak wil en kan redden doet niet af aan de toetsende rol van de rechter als die rol samenvalt met zijn taak om over de zaak te oordelen: regelmatig komt de Hoge Raad tot cassatie omdat de rechter ten onrechte het bewijs van opzet of medeplegen heeft aanvaard of een noodweerverweer te lichtvaardig heeft verworpen.

In het licht van die toetsende rol van de feitenrechter is vorig jaar in het blad Trema een interessante discussie gevoerd naar aanleiding van de stelling van de Utrechtse rechter De Weerd dat de strafrechter niet dient op te treden als scheidsrechter die de partijen niet zou mogen helpen, maar als een actieve rechter wiens taak het is om zelfstandig, onafhankelijk en onpartijdig de strafrechtelijk relevante waarheid vast te stellen. Zo’n strafrechter zou ter zitting de officier moeten kunnen wijzen op fouten in de tenlastelegging. En inderdaad, wat is ertegen als de officier weliswaar beslist welk feitencomplex wordt voorgelegd, maar dat de rechter bepaalt wat de best daarop passende wettelijke bepaling  is, zolang dat geen afbreuk doet aan de verdedigingsmogelijkheden? Sinds de wetswijziging waardoor in de jaren 90 in hoger beroep en zelfs na cassatie de tenlastelegging kan worden gewijzigd is de tirannie van de tenlastelegging m.i. te beschouwen als een atavisme, een achterhaald geworden erfenis. Ik zie daarom wel iets in een actieve rechter, maar meen wel dat het – om de schijn van partijdigheid te voorkomen dat de rechter wel meedenkt met de officier, maar niet met de verdediging – gewenst zou zijn dat de wetgever het de rechter dan ook toestaat bijvoorbeeld na een kennelijk onredelijke vervolgingsbeslissing (denk aan de standaardwerkwijzen in het vooronder van het OM)  de officier niet ontvankelijk te verklaren. Het geldend recht legt de lat hoger en staat dat niet toe (NJ 2013/109).

Als er iets is waar rechters en advocaten mij tijdens nascholingen vragen over stellen is het de toetsende taak ten aanzien van de formele beslissingen in het voor­onderzoek. De Schiedammer parkmoord – waarin in het vooronder­zoek procedureel niet onrechtmatig werd gehandeld maar wel de verkeerde werd veroordeeld –  leert dat het niet in strijd met die regels handelen niet noodzakelijk een goede uitkomst oplevert. Omgekeerd impliceert het wel in strijd met die regels handelen niet dat de uitkomst verkeerd is. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat procedureregels geen waarde hebben. Maar ik herinner aan het aan Sen ontleende uitgangspunt dat het uiteindelijk gaat om een redelijk oordeel over de voorgelegde zaak, waarbij gevoeligheid voor institutionele gevolgen en voor gevolgen aan de zijde van de partijen mede de redelijkheid van de uitkomst bepaalt. Het gaat niet om een tegenstelling tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming, maar om de vraag wanneer  inbreuken op procedure­regels en in het bijzonder  inbreuken op rechten van de verdachte zodanig zijn dat het oordeel niet meer redelijk zou zijn als daaraan geen gevolgen werden verbonden.

Van rechtstreeks belang voor de redelijkheid van de uitkomst van een procedure zijn regels die de eerlijkheid van die procedure garanderen. Het is dan ook weinig verrassend dat de Hoge Raad verlangt dat drastische gevolgen worden verbonden aan vormfouten waardoor aan de eerlijkheid van het proces tegen de terechtstaande verdachte wordt tekort gedaan (denk aan het zwijgrecht en recht op bijstand van een advocaat in het vooronderzoek).  Van andere vormfouten in het vooronderzoek is minder gemakkelijk  te begrijpen waarom ze drastische gevolgen zouden moeten hebben. Waarom zou een drugssmokkelaar voordeel moeten krijgen als de politie in strijd met de wet zijn drugs heeft doorgelaten? Er moet iets bijzonders aan de hand zijn om aan overtreding van andere vormvoorschriften dan die welke het recht op een eerlijk proces betreffen, drastische gevolgen te verbinden. Dat kan bij heel ernstige of structurele inbreuken op andere rechten van de verdachte (NJ 2013/308). De Hoge Raad acht de rechter niet snel verplicht gevolgen aan een vormfout te verbinden (en daardoor worden veel cassatieberoepen van veroordeelden op dit punt verworpen) en sanctionering  moet bovendien wel goed worden gemotiveerd (wat soms leidt tot een slagend OM-beroep). Maar dat betekent niet dat de feitenrechter geen enkele ruimte meer heeft om dubieus politieoptreden te sanctioneren. Dat blijkt als de Hoge Raad uitdrukkelijk  bij zijn oordeel betrekt of het bewijs een rechtstreeks gevolg is van het vormverzuim  – in een zaak waarin het ging over het indringend volgen van veelplegers en het cassatieberoep werd verworpen (NJ 2013/413) – of dat de bijzonderheden van het geval gelet op wat in het verweer is aangevoerd nog geen aanlei­ding waren voor bewijsuitsluiting – wat werd overwogen toen het ging om het tonen van camera­beelden van verdachten op het Internet (NJ 2014/188). Kennelijk zijn er omstandigheden denkbaar waarin harassment door de politie en framing and shaming niet alleen onrechtmatig zijn, maar zelfs in het kader van een alomvattend redelijk oordeel  gevolgen kunnen hebben (vgl ook ECLI:NL:HR:2014:1365). Niettemin is afstraffing van onrechtmatig politieoptreden minder vanzelfsprekend dan vroeger werd gedacht.

                                                           ***

Ik heb het gehad over politie, OM en rechtspraak. Uit deze schets blijkt een vervlechting van het werk van politie en OM en een hoge mate van afhankelijkheid van de rechter van wat het OM doet. De Raad van State spreekt in het jaarverslag over 2013 van overheden die “acteurs in een systeem (zijn) geworden, in plaats van autonome entiteiten. Het is uitdrukking van een werkelijkheid waarin verwevenheid en afhankelijkheid toenemen”. De wonderlijke omstandigheid doet zich evenwel voor dat dit verschijnsel in zeker zin wordt tegengesproken door toegenomen preoccupaties met eigen prestaties in de diverse delen van wat wel de strafrechtsketen wordt genoemd.

Getob over de eigen prestaties draagt eraan bij dat de instituties veeleer krampachtig proberen zichzelf schokbestendig te maken dan dat ze bijdragen aan een snel en juist eindoordeel. Daarmee wordt het enorme belang van het handelen van de ene institutie voor de andere institutie vergeten. Een slecht proces-verbaal is uiteindelijk erger dan of het verhoorplan niet helemaal juist is gevolgd en het zenden van een oproep aan een getuige naar het verkeerde adres levert niet alleen een verloren half uur op voor drie rechters, een officier, een griffier en een advocaat maar kost ook het inlezen in het dossier van twee nieuwe rechters en een vertraging van zes maanden. Uiteindelijk gaat het niet om de eigen institutie maar om het goede oordeel dat vaak door een andere institutie wordt geveld.

***

Ik wees eerder op het verschil tussen de wagenmenner die met een ‘gesloten onpartijdigheid’ doet wat de logische uitkomst van de eigen  regels is en de vorst die met een ‘open onpartijdigheid’ bedenkt of die logische uitkomst voor een onpartijdige toeschouwer verteerbaar zou zijn. In die door Sen geïnspireerde rechtsopvatting schuilt ruimte voor het persoonlijke aandeel van de jurist. Dat persoonlijk aandeel is onontkoombaar, omdat een goede officier en een goede advocaat over onomstreden feiten en onder vigeur van dezelfde wet een verschillend oordeel kunnen hebben. Maar niet alleen de functie, doch ook de juridische cultuur waarin de jurist leeft, maakt uit.

Rond 1900 waren juristen deftige generalisten, waarbij de rechter de wet toepaste, het OM waakte dat de rechter geen staat in de staat werd en de advocaat partijdig was maar op zijn woord vertrouwd kon worden. Na de Eerste Wereldoorlog  komen de juristen getuige het Melk en Waterarrest (1916) en Lindebaum-Cohen (1919) wat losser te staan van de wet. Geregeld wordt een beroep gedaan op het gezond verstand en misschien horen we daarin een echo van wat de buren het gesundenes Volksempfinden noemden.

Na WO II zet de autonome beroepsbeoefening – met de professionalisering – van de juristen door. In de sterk verzuilde samenleving tussen 1950 en 1970 drukt een zware morele stempel op het werk van individuele beroeps­beoefenaren. In rechte komt dat tot uitdrukking in de liefde voor de ars aequi (de kunst van het billijke) en de resocialisatie van de verdachte.

Dit moralisme verliest na 1970 aan zeggingskracht. De rechten van consument en burger stellen nieuwe eisen aan juristen. De paternalistische professional verandert in een kritische expert. De sociale advocatuur komt op voor de rechten van minder bedeelden. Het rechterlijk activisme ten aanzien van stakingen (1972-1986) en euthanasie (1972-1985) geeft uiting aan die taakopvatting, net als de ontwikkeling van de beginselen van een goede procesorde en het door Peters gepropageerde streven naar policing the police in strafzaken (1972). En er ontstaat binnen het OM een streven naar gelijkheid en het tegengaan van willekeur aan de hand van richtlijnen.

Aan het eind van de 20ste eeuw doet zich de voorlopig laatste verandering voor. De bevolking is beter opgeleid en wordt door tv en digitale media uitputtend geïnformeerd over feiten en overvoerd met ongefilterd commentaar, aan welke opinievorming ze zelf rechtstreeks kan bijdragen. Het gevolg daarvan is dat juristen (net als andere beroeps­beoefenaren) te maken krijgen met burgers die ook jegens hen een kritische, sceptische houding aannemen. Om kritiek voor te zijn gaat de rechter meer motiveren, geeft het OM blijk van meer omgevingsgevoeligheid (met bijzondere aandacht voor slachtoffers en bestuurders) en wordt menig advocaat nog inschikkelijker als expert-dienstverlener.  Maar de juristen van weleer – deftig, moreel hoogstaand, resp. kritisch – wisten wat hen als individu te doen stond. Ze behoorden tot de elite en werden geacht voldoende karakter te hebben om de daarbij behorende verplichtingen te dragen. Dat zelfbewustzijn lijkt voorbij: velen gedragen zich als werknemers van een dienstverlenende organisatie.

Ik wijs op deze ontwikkeling met het oog op het persoonlijk aandeel van de jurist in de beoordeling van een concrete zaak. In de jaren 30 was een toets aan het gezonde verstand zinnig, zoals in de jaren 50 een menselijk, ethisch oordeel werd gewenst en na de jaren 70 was voor alle partijen relevant dat het overheidsoptreden kritisch werd bezien.  Maar wat voegt de cultuur van de dienstverleners toe? Dienstverleners zijn aardig voor elkaar, denken mee – ze hebben het allemaal druk.  Die cultuur is niet de meest geschikte om een persoonlijke aandeel  te leveren waarin een redelijke einduitkomst in de betreffende zaak voorop staat. Dat moge voor de formalist winst zijn, maar het is wel een opstelling die de institutionele preoccupatie van politie, OM en rechtspraak voedt waardoor interne regels belangrijker worden dan de juistheid van de uitkomst gelet op de feitelijke omstandigheden van het geval.

Misschien verkeren we nu weer op een omslagpunt – een crisis zo u wilt. Niet alleen in het strafrecht maar in het hele juridische veld zien we standaardisering en computerisering. Dat leidt tot nieuwe mogelijkheden en nieuwe fouten. Barre ongelijkheid en vergissingen worden voorkomen – dat is winst; maar blindheid voor ongewenste gevolgen van de standaardisering en doofheid voor kritiek dreigen. In ingewikkelder zaken moeten de juridische dienstverleners van vandaag juridische strategen worden met oog voor de kwetsbaarheden van gebruikelijke routines, met oog voor juridische mogelijkheden en risico’s – en vooral met oog  voor de consequenties van elke stap die ze zetten op het oordeel van hun wederpartijen en van de beslissers in de rechtsstaat.

                                                                       ***

Onze rechtsstaat is een dienstverlenend systeem geworden waarin men zich drukker maakt over interne regels en procedures, dan over de checks and balances tussen de verschillende overheids­instanties. Dat maakt de rechtsstaat  kwetsbaar. In de wereld van het recht gaat het niet alleen om het arrangement van de daarin werkzame instituties, maar vooral om het vermogen om onafhankelijk te kunnen oordelen welke toepassing van het recht  alles in aanmerking genomen het meest billijke resultaat oplevert. Dat vergt niet het karakter van een machteloze dienstverlener, maar van mensen die geloven in hun vermogen op grond van de verschillende mogelijkheden die het recht eigenlijk altijd biedt een redelijk oordeel over de voorgelegde zaak te kunnen geven. Natuurlijk zijn ze gevoelig voor institutionele verplichtingen en voor de gevolgen aan de zijde van de partijen. Maar dat betekent niet dat de belangen van die instellingen steeds de door­slag geven, noch dat elke inbreuk op een recht van de verdachte dat doet.

Ik heb u overspoeld met woorden. U hoeft er niets van te onthouden… behalve dat beeld van dat tweegesprek tussen Krishna en Arjuna. Het beeld van de wagenmenner – oftewel de instituties waarvoor u werkt – die tegen u zegt: ‘doe wat de regels voorschrijven’ terwijl u als de onoverwinnelijke vorst– of u nu rechter, officier of advocaat bent – stil moet staan bij de consequenties van wat u zich genoopt acht te doen ten aanzien van de mensen met twee ogen en een neus die voor u staan.    

Dank u wel.