Jaarrede voorzitter mevrouw prof.mr. T.N.B.M. Spronken

De menselijke maat

Inleiding

Deze jaarvergadering staat in het teken van de Homo Digitalis. Wat is dat voor een mens? Dat hebben ook de preadviseurs zich afgevraagd. Is het een door digitale technologie gemuteerde Homo Sapiens? Ons virtuele alter ego? Een data-gedreven bestuurder of politieagent? Of de mens die zijn eigenheid moet zien te behouden in een wereld waarin de technologische mogelijkheden zich op een verbijsterende wijze ontwikkelen? En wat kan het recht hierin betekenen? Wie of wat moet het recht hierbij beschermen? We zullen hierover vandaag met elkaar van gedachten wisselen en de rijke en creatieve preadviezen die voor deze vergadering zijn geschreven bieden ongetwijfeld stof voor debat en bezinning.

Waar ik het vandaag met u over wil hebben is niet de digitale, maar de menselijke maat in de rechtspraktijk van alle dag. Met “de menselijke maat” is het net als met de Homo Digitalis. Het is een associatief begrip. Ook al is niet meteen duidelijk wat hiermee wordt bedoeld, kunnen de meesten zich hierbij wel iets voorstellen. In de architectuur speelt de menselijke maat een rol, niet alleen om gebouwen te ontwerpen en aan te passen aan de afmetingen van het menselijk lichaam – traptreden moeten beloopbaar zijn –  maar de maat heeft ook een emotionele betekenis. Bouwen volgens de menselijke maat betekent dat niet het gebouw centraal staat, maar de behoefte van de mens om zich daarin geborgen, vrij en goed te voelen, waarin de menselijke waardigheid behouden blijft en een mens optimaal kan functioneren. Een gebouw kan nog zo prachtig zijn, als de plafonds daarin zo laag zijn dat je je als mens in elkaar gedrukt voelt, of zo hoog dat je je nietig en verloren voelt, dan word je daar niet gelukkiger van. Ook in de organisatiekunde is de menselijke maat een belangrijke factor. Als deze wordt weggeorganiseerd door regelzucht, systeemdwang en massaliteit dan zijn de effecten: minder toewijding, minder verantwoordelijkheid en cynisme.[1] Dit effect speelt momenteel ook in de organisatie van de rechtspraktijk, maar daar wil ik nu niet op ingaan. Het gaat mij om de rechtspraktijk zelf. Daarin staat de menselijke maat voor respect, luisteren, mededogen en empathie. En daarvoor moeten we elkaar in de ogen kunnen kijken. Het recht functioneert niet als het wordt bedreven zonder emotie, ook al heet het een product te zijn van de rede. Redelijkheid, billijkheid en rechtvaardigheid zijn niet alleen juridische begrippen maar dragen ook emoties in zich.[2]  En last but not least, de menselijke maat heeft ook te maken met de verwezenlijking van mensenrechten die zoals het EHRM steevast zegt practical and effective moeten zijn.

Wat het strafrecht aangaat heeft Pompe dat in 1951 mooi verwoord:

“Het strafrecht heeft niet slechts met de mens, die de misdadiger is, te maken maar ook met de mens die de strafrechter is. In zoverre de misdadiger een persona miserabilis is – en min of meer is hij het altijd – moet de strafrechter menselijk in de zin van barmhartig jegens hem zijn [..] Strafrechter en misdadiger zijn als mensen aan elkaar gebonden.”[3]

Movies that Matter

Voordat ik mijn verhaal aan de hand van een aantal actuele onderwerpen uitwerk, wil ik u meenemen naar het filmfestival “Movies that Matter”, dat jaarlijks in Den Haag plaatsvindt. Dit jaar werd ik gevraagd om de jury voor te zitten van de Camera Justitia Award die tijdens het filmfestival wordt uitgereikt. De prijs is bedoeld voor de beste film of documentaire op het gebied van het recht en de dilemma’s die zich daarin voordoen.

Het werd een ervaring die ik niet snel zal vergeten.

De jury was internationaal samengesteld en bestond uit de twee directeuren van het Sarajevo Filmfestival en de IDFA in Amsterdam, een documentairemaker die al twee jaar in de vluchtelingenkampen in Libanon aan het filmen is en een medewerker van het Internationale Strafhof. Gedurende twee dagen hebben we gezamenlijk non stop negen films die waren genomineerd voor de prijs bekeken. Daaronder the Deep Web[4] (de donkere kant van het internet waar drugs en huurmoordenaars op bestelling verkrijgbaar zijn), Krigen[5] (over de dilemma’s van een bevelhebber van een vredesmissie in Afghanistan), The Prosecutor, the Defender, the Father and his Son[6] (over het proces tegen Kristic bij het Joegoslavië Tribunaal). Heel divers en stuk voor stuk indrukwekkend. We zaten als het ware afgesloten van de wereld in een soort bubbel en hebben tussen de films door intensief gediscussieerd over wat we te zien kregen, ieder vanuit zijn eigen referentiekader. Twee films maakten de meeste indruk.

De eerste was Guantanamo’s Child[7], een documentaire over Omar Khadr, van Canadese nationaliteit, die als kind door zijn ouders was meegenomen naar Afganistan. In 2002 werd hij op 15 jarige leeftijd gevangen genomen door de Amerikanen en beschuldigd van deelname aan oorlogsmisdrijven gepleegd door Al Qaida. Hij zat tien jaar vast in  Guantanamo Bay. In 2010 werd Kadr overgebracht naar Canada, nadat hij op advies van zijn advocaat schuld had bekend en was veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf. Uiteindelijk werd hij door de Canadese rechter in 2015 op borgtocht in vrijheid gesteld en op dit moment loopt nog een herzieningsprocedure. De documentaire is gebaseerd op exclusieve interviews met Omar Kadr gedurende zijn eerste dagen in vrijheid in Canada in het huis van zijn advocaat. En dat is wat de documentaire zo speciaal maakt. Wat we zien is een sympatieke, redelijke en vriendelijke man, die geen haat koestert en ongebroken lijkt na zo vele jaren te hebben verbleven in een gevangenis onder de slechtst denkbare en onmenselijke omstandigheden. De documentaire laat hem zijn verhaal vertellen, in zijn eigen zorgvuldig gekozen woorden en neemt ons mee met zijn reis als kind van een Canadese voorstad naar het woelige Afganistan gedurende de oorlog met de Sovjets. Hoe hij door zijn vader op 14 jarige leeftijd als tolk wordt achtergelaten bij een gevechtseenheid van Al Qaida en vervolgens in Guantanamo Bay belandt.

Het verhaal van Omar Kadr raakt veel aspecten van waar wij als samenleving vandaag de dag mee te maken hebben: de politiek van de angst en de oorlog tegen terreur, hoe wij omgaan met jihadstrijders die terugkeren, de werkelijke betekenis van de rule of law, het verbod van foltering en het belang van procedurele waarborgen voor verdachten. Het stelt ons voor de vraag wat onze idealen waard zijn, vooral als het gevaarlijk wordt voor ons zelf en of we bereid zijn daarvoor offers te brengen. Een ontmoeting met iemand, die ondanks alle gruwelijkheden die hem in Guantanamo Bay zijn overkomen, toch menselijk is gebleven, zelfs vergevingsgezind, heeft een enorme impact.

In een van de scene’s zien we de prijs die Omar Kadr nog steeds betaalt. Gedurende het interview kijkt hij het raam uit en ziet hij een politieauto parkeren bij het huis. Een klop op de deur veroorzaakt een blanke paniek in zijn ogen als hij uitroept “the cops are here!” Ja de politie was er, maar alleen om hem welkom te heten in de buurt.

Soms leren verhalende beelden ons meer dan stelsels en voorschriften.[8]

De tweede film was weer heel anders. “Paulina”, een Argentijnse productie[9], geen documentaire maar fictie, over een idealistische jonge advocate die zeer tegen de wil van haar vader, een invloedrijke rechter, haar goed betaalde baan opgeeft om in de jungle les te gaan geven in een armoedig dorpsschooltje. Ze wordt geconfronteerd met de naïviteit van haar eigen idealisme en de harde werkelijkheid van de armoede, de schamperheid van de pubers die ze les geeft en waar ze maar moeilijk contact mee kan krijgen. Op een nacht wordt ze slachtoffer van een verkrachting in het bijzijn van jongens die achteraf in haar klas blijken te zitten en raakt zwanger. Dan neemt de film een opmerkelijke wending. Na te zijn hersteld bij haar vader thuis, gaat ze terug naar het dorp, terug naar haar klas.  Ze wil tot onbegrip van iedereen haar kind houden. Ze wijst haar verkrachter niet aan in een line-up en zoekt contact met hem om hem te confronteren met wat er met haar gebeurd is. Ze wil begrijpen waarom hij dat gedaan heeft.

Wat de film interessant maakt, is dat dezelfde gebeurtenissen steeds worden gefilmd vanuit het perspectief van één van de betrokkenen: de jongens op school, de diep bezorgde en woedende vader, de vrouwen in het dorp die zijn opgegroeid met seksueel geweld en de man die Paulina heeft verkracht en die besluit op haar verzoek om hem te ontmoeten in te gaan. Daardoor wordt inzichtelijk wat er is gebeurd en waarom, maar wordt ook invoelbaar dat voor sommige mensen, slachtoffers en daders, vergeving helender werkt dan vergelding en dat gerechtigheid veel gezichten kent.

Guantanamo’s Child heeft de Camera Justitia Award uiteindelijke gewonnen, maar dat lag vooral aan de mannen in de jury. Zij konden het zich niet goed voorstellen dat er vrouwen bestonden zoals Paulina.

En dan is het tijd om uit de bubbel te komen. Met deze beelden op de achtergrond wil ik het met u hebben over drie onderwerpen, weliswaar heel verschillend van aard, maar waarin naar mijn mening de menselijke maat van het recht in het geding is. Ze hebben gemeen dat ze op het gebied van het strafrecht liggen – dat ligt mij nu eenmaal het meest aan het hart – en ze hebben op een of andere manier een band met de films waarover ik u verteld heb. De thema’s die ik wil aansnijden zijn de levenslange gevangenisstraf, de bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor en de initiatieven die op dit moment worden ontplooid om in het nieuwe wetboek van strafvordering dat nu in de maak is, een herstelrechtelijke paragraaf op te nemen als alternatieve afdoeningsmodaliteit van een strafbaar feit.

De levenslange gevangenisstraf

Wij hebben in Nederland geen Guantanamo Bay, gelukkig maar. Maar dat betekent niet dat zich niet ook in ons rechtssysteem varianten van onmenselijke behandeling voordoen. Op 26 april 2016 oordeelde de Grote Kamer van het EHRM dat Nederland in de Murray zaak art. 3 EVRM, het verbod van onmenselijke behandeling, heeft geschonden.[10] Dat gebeurde vanwege onze levenslange gevangenisstraf, die anders dan menigeen vaak denkt, daadwerkelijk levenslang betekent, zonder vooruitzicht op invrijheidstelling. Oftewel “geen streepjes op de muur” zoals een Tilburgse rechtenstudente in haar afstudeerscriptie de uitzichtloosheid van de levenslange gevangenisstraf in Nederland omschreef.[11] De zaak heeft betrekking op een klacht van een man, Murray, die in 1980 werd veroordeeld voor moord op een zes-jarig meisje, waarvoor hij een levenslange gevangenisstraf onderging in Curaçao en Aruba. Hij klaagde dat hij geen realistisch vooruitzicht had op vrijlating, ook al bevat het  Antilliaanse strafrecht – anders dan het Nederlandse – sinds 2011 de mogelijkheid van herziening van een levenslange gevangenisstraf.[12] Die herzieningsmogelijkheid, zo stelde Murray, bood feitelijk geen perspectief op vrijlating omdat hij nooit een behandeling had gekregen voor zijn psychische problemen, waardoor het risico op recidive bleef bestaan. Een vicieuze cirkel die niet kon worden doorbroken. Hangende de klachtprocedure in Straatsburg overleed Murray op 26 november 2014. Hij had toen 35 jaar in gevangenschap doorgebracht. Zijn nabestaanden zetten de procedure voort. De kleine kamer van het EHRM  achtte de klacht ongegrond. De Grote Kamer komt echter unaniem (!) tot een schending van art. 3 EVRM omdat Murray’s levenslange gevangenisstraf de facto niet “reducible” was. Ondanks dat bij het opleggen van zijn levenslange gevangenisstraf was vastgesteld dat hij behandeling voor zijn psychische problemen nodig had, kwam hij daarvoor tijdens de straf niet in aanmerking kwam. Daarom zou elk verzoek tot gratie of herziening van Murray feitelijk niet tot vrijlating kunnen leiden.

Belangrijk zijn daarbij de algemene uitgangspunten die het EHRM formuleert. De oplegging van een levenslange gevangenisstraf is op zichzelf niet in strijd met art. 3 EVRM, maar de omstandigheid dat van meet af aan vast staat dat deze straf niet verminderd zal worden, maakt de tenuitvoerlegging onmenselijk. Er moet een voldoende concrete procedurele voorziening zijn die een vooruitzicht biedt op daadwerkelijke invrijheidstelling als de veroordeelde zich rehabiliteert. Dat mag geen formaliteit zijn: de veroordeelde moet van begin af aan weten wat hij moet doen om na verloop van tijd voor invrijheidsstelling in aanmerking te komen en daarvoor moeten ook faciliteiten worden geboden.

Helemaal als een verrassing komt de uitspraak van het EHRM niet. Eerdere zaken, zoals de Vinter-zaak[13] wezen al in dezelfde richting.[14] Wat opvalt is het verschil van benadering tussen het EHRM en de Hoge Raad. Een verschil dat met, wat ik dan de menselijk maat noem, te maken heeft. De Hoge Raad heeft de afgelopen jaren een aantal keer geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf gelet op de mogelijkheid van gratie niet in strijd komt met art. 3 EVRM.[15] Daarbij hanteert hij een tamelijk afstandelijke formele benadering.  Die is vooral gericht op de vraag of gratie kan worden beschouwd als een mogelijkheid voor een herziening die voldoende is om binnen het spoor te blijven van art. 3 EVRM. Daar tegenover staat de uitspraak van het EHRM die is doordesemd van overwegingen die vooral gaan over de vraag of een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vrijlating in strijd is met de menselijke waardigheid, de essentie van het verbod van onmenselijke behandeling. Het sterkst drukt de Straatsburgse rechter De Pinto zich uit in zijn concurring opinion bij de uitspraak:

“However heinous the crime committed, no prisoner deserves to be treated like forgotten “human waste”, [..] and that was what happened to Murray.”

Ik kan bij mijzelf de vraag niet onderdrukken wat de Hoge Raad, of misschien is het wel eerlijker om te zeggen, wat in onze rechtscultuur ons ervan weerhoudt in te gaan op de onderliggende ratio van het verbod op onmenselijke behandeling in relatie tot een levenslange gevangenisstraf? Vinden we werkelijk dat iemand hoe jong hij ook is of hoe berouwvol, nooit meer een kans mag krijgen vrij te komen? Is dat menselijk? Die vragen zouden we toch ook in de juridische argumentatie moeten betrekken?

Dat het ook anders kan blijkt uit een vonnis van de Rechtbank Noord Nederland die in een geval van dubbele moord en een doodslag openlijk haar worsteling met de vraag of een levenslange gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd in haar vonnis verwoordt en uiteindelijk niet tot een oplegging daarvan besloot omdat in Nederland de facto nauwelijks perspectief bestaat op verkorting. Een gegeven dat op gespannen voet staat met art. 3 EVRM.[16]

Inmiddels is AG Machielse in een zeer uitvoerige conclusie van 24 mei 2016[17], mede naar aanleiding van de Murray zaak, tot het oordeel gekomen dat een stelsel als het onze, botst met artikel 3 EVRM. Ook een levenslang gestrafte moet zich kunnen rehabiliteren en die mogelijkheid moet niet alleen de jure bestaan maar ook de facto worden geboden. En dat laatste betekent, voeg ik eraan toe, dat er – ook tijdens de tenuitvoerlegging – steeds moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval en de persoon van de veroordeelde.

Een gelijksoortig fenomeen, en dan doel ik op afstandelijk redeneren, doet zich voor bij de toelating van de raadsman tot het politieverhoor. Nadat we in Nederland meer dan 50 jaar hebben gediscussieerd over de vraag of uit de artikelen 28 en 50 Sv kan worden afgeleid of de verdachte zich ook tijdens zijn verhoor kan laten bijstaan door een advocaat, dwingt de Straatsburgse jurisprudentie[18] en inmiddels ook een EU richtlijn[19] tot toelating van de advocaat bij het verhoor. Ook hier blijft de discussie in Nederland steken op het formele of juridisch-technische niveau. Nadat de Hoge Raad onlangs heeft bepaald dat met ingang van 1 maart 2016 advocaten tot het verhoor moeten worden toegelaten[20], is in afwachting van een wettelijke regeling de manoeuvreerruimte van de advocaat tijdens het verhoor zodanig beperkt dat de advocaten hierover een kort geding hebben aangespannen. Daarop heeft de voorzieningenrechter een prejudiciële vraag bij de civiele kamer van de Hoge Raad neergelegd om uitleg te krijgen wat de strafkamer in de Hoge Raad heeft bedoeld toen hij bepaalde dat de verdachte vanaf 1 maart 2016 bijstand tijdens zijn verhoor kan krijgen.[21] Mag er worden geïntervenieerd in het verhoor? Heeft de advocaat een recht een time out te vragen om met zijn cliënt te overleggen? Mag hij tijdens het verhoor zijn cliënt adviseren géén antwoord te geven op een vraag?

Mijn wedervraag is: hoe zou de advocaat dan anders rechtsbijstand kunnen verlenen?

Wat de onderliggende ratio van de rechtsbijstand in deze fase van de vervolging is, is in onze rechtspraak nauwelijks terug te vinden, terwijl het EHRM daartoe in zijn jurisprudentie toch goede aanknopingspunten geeft: strafzaken worden steeds complexer; de proceshouding van de verdachte bij het politieverhoor is in veel zaken van doorslaggevende betekenis voor het vervolg van de zaak; zijn verklaringen kunnen voor het bewijs worden gebruikt. Dat, terwijl de verdachte zich op het politiebureau in een kwetsbare positie bevindt en gemakkelijk onder druk kan worden gezet om zich ongewild te belasten. Wil het recht op een eerlijk proces praktisch en effectief zijn,  dan heeft de verdachte actieve bijstand van een advocaat broodnodig. Of zoals onze zuiderburen in België het uitdrukken: “de advocaat bij het politieverhoor is geen bloempot”.

Meer plaats voor herstelrecht in het strafrecht?

De film Paulina maakt het spanningsveld zichtbaar tussen enerzijds de behoeften van een slachtoffer en de dader om onderling in het reine te komen met een traumatische ervaring en anderzijds het publieke karakter van het strafrecht waarin vergelding en handhaving van de rechtsorde de boventoon voeren. Dat antagonisme komt in de film terug: Paulina die vooral op zoek is naar een oplossing die haarzelf kan helen en de vader die alleen al razend wordt bij de gedachte dat de verkrachter van zijn dochter zijn straf zou ontlopen. Het zijn dilemma’s die bij een herstelrechtelijke benadering van het strafrecht een rol spelen. Uit oogpunt van de menselijke maat biedt het herstelrecht een zinvol alternatief om wezenlijke intermenselijke conflicten te beslechten op een manier waar alle betrokkenen beter van worden. In oktober 2013 zijn vijf pilots gestart om te bekijken hoe dat werkt als alternatief of onderdeel van het strafproces.[22] Hoewel de resultaten aantonen dat mediation een toegevoegde waarde heeft, ziet de minister van Veiligheid en Justitie niet dat mediation in het strafrecht op grote schaal zou kunnen worden toegepast. Dat is teleurstellend en ik vraag mij af of hier een zekere angst voor roep om vergelding die bij het publiek wordt verondersteld meespeelt. Inmiddels is er door herstelrechtelijk Nederland een denktank in het leven geroepen met het doel met een initiatiefwetsvoorstel te komen om de wetgever te bewegen een herstelrechtelijke procedure in de integrale modernisering van het Wetboek van Strafvordering op te nemen.[23] Een initiatief dat naar mijn mening serieuze aandacht verdient.

Uitleiding

Dan kom ik weer terug bij wat ons vandaag bezighoudt; de Homo Digitalis. In het kader van het moderniserings- en digitaliseringsprogramma KEI moet de rechtspraak het digitale tijdperk vooral aangrijpen om behalve sneller, ook begrijpelijker en toegankelijker te worden. Dat is de doelstelling van KEI en daar is op zichzelf niets mis mee. Daarbij hoort ook een ander soort rechter, althans dat is de stelling die onlangs in mei tijdens het congres Online Dispute Resolution is ingenomen.[24] Ik ben benieuwd hoe die er gaat uitzien, maar hoop van harte dat deze rechter de menselijke maat in al zijn facetten niet vergeet en de ruimte krijgt – of neemt! – deze in zijn besluitvorming te betrekken.

 

[1] Zie bijvoorbeeld het rapport van de Nationale Ombudsman, De menselijke maat, Dienstverlening van zorgkantoren, Rapportnummer 2011/160, 17 juni 2011

[2] Martha Nussbaum, Politieke emoties: waarom een rechtvaardige samenleving niet zonder liefde kan, Ambo 2014.

[3] W.P.J. Pompe, De menselijkheid in het strafrecht, Annalen van het Thijmgenootschap, jrg. XXXIX, afl 2 Utrecht 1951, p. 103.

[4] Verenigde Staten 2015, Alex Winter.

[5] Denemarken 2015, Tobias Lindholm.

[6] Bulgarije, 2015, Iglika Triffonova.

[7] Guantanamo’s Child: Omar Kadr, 2015,Patrick Reed en Michelle Shephard.

[8] Zie voor inspirerende voorbeelden ook Hans Nieuwenhuis Kant & Co, Literatuur als spiegel van het recht, Balans, 2011 en Constantijn Kelk, De kunst als inspiratie voor de strafrechtsbeoefening, in Precaire Waarden, Liber Amicorum voor Prof. A.A.G. Peters, 1994, p. 43-60.

[9] Paulina, juni 2015, Santiago Mitre.

[10] EHRM, Grote Kamer, 26 april 2016, Murray tegen Nederland, nr. 10511/10.

[11] Leonie van der Grinten, Geen streepjes op de muur, Een onderzoek naar de wenselijkheid van de initiatieven van de RSJ en het Forum Levenslang met betrekking tot de bezwaren omtrent de levenslange gevangenisstraf, mei 2013, te lezen op http://njb.nl/Uploads/2014/4/Masterscriptie-Leonie-van-der-Grinten-Geen-Streepjes-op-de-Muur.pdf.

[12] Sinds 15 november 2011 kent het Curaçaose Wetboek van strafrecht een bepaling die de veroordeelde tot levenslange gevangenisstraf voorwaardelijke invrijheidstelling in het vooruitzicht stelt nadat de vrijheidsbeneming op zijn minst 20 jaar heeft geduurd, mits naar het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient.

[13] Zie bijvoorbeeld EHRM 9 juli 2013,  Vinter e.a. tegen Verenigd Koninkrijk nr. 66069/0 9,130/10 en 3896/10; NJ 2016/135 m.nt. Keijzer; EHRM 20 mei 2014, Lázló Magyar tegen Hongarije, nr. 73593/10; EHRM 3 februari 2015, Hutchingson tegen Verenigd Koninkrijk, nr. 57592/08 (thans aanhanging bij de Grote Kamer); EHRM 15 september 2015, Kaytan tegen Turkije, nr. 27422/05.

[14] Zie ook Wiene van Hattum, Levenslang ‘post Vinter’, NJB 2013/1775; Taru Spronken, De rest van je leven, NJB 2015/677.

[15] Hoge Raad van 9 maart 1999, LJN ZD1464, NJ 1999, 435 HR 16 juni 2009, NJ 2009, 602 m.nt. Mevis; HR 22 februari 2011, NJ 2012, 608 m.nt. Keulen

[16] Rechtbank Noord Nederland 24 november 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5389.

[17] Conclusie AG Machielse ECLI:NL:PHR:2016:406.

[18] Begonnen met EHRM, Grote Kamer, 27 november 2008, Salduz tegen Turkije, nr. 36391/02.

[19] Richtlijn 2013/48/EU van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, Pb EU 2013 L 294 /l.

[20] HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608; NJ 2016/52 m.nt. A.H. Klip.

[21] Vonnis Rb Den Haag, 15 april 2016, rolnummer C/09/5065/76 ZA 16/281, de raadplegen via www.NVSA.nl.

[22] Zie M.S. Groenhuijsen, Herstelbemiddeling en mediation in het strafrecht. Een nieuw hoofdstuk, DD 2016/1 en J.A.A.C. Claessen en D.L.F. de Vocht, Een nieuw Wetboek van Strafvordering: een uitgelezen kans voor een aanzet tot een Wetboek van Herstelprocesrecht, NbSr 2015/227. Zie ook de internationale conferentie Restorative Justice, Human Rights & Personal Realities op 22 en 23 Juni 2016 in Leiden, http://www.euforumrj.org/events/leiden/.

[23] Contourennota modernisering strafvordering  30 september 2015, Kamerstukken II 29279, nr. 278; Editorial van Paul Mevis, DD 2015/60.

[24] Aldus Tanja Dompeling, betrokken bij KEI, op het 15e Annual Online Dispute Resolution 23 en 24 mei 2016,  Den Haag,  https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Bij-digitale-rechtspraak-hoort-ander-soort-rechter.aspx